Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.De conclusie van de advocaat-generaal
4.Waar het in deze zaak om gaat
5.Beoordeling van de aanvraag
(i) De verbaliseringsplicht van artikel 226g lid 4 Sv is geschonden en het openbaar ministerie heeft bewust de waarheidsvinding gefrustreerd, omdat van het gunstbetoon waarvan blijkt uit de woordelijke uitwerking van het gesprek dat [medeverdachte 2] had met onder anderen de zaaksofficier van justitie op 14 oktober 2015 geen proces-verbaal bij de stukken is gevoegd, en omdat een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] , waaruit bleek van dit gesprek, uit het door de politie voor dossiervorming gebruikte systeem is verwijderd, met aanpassing van de nummering van één of meer processen-verbaal.
(ii) Het openbaar ministerie is niet transparant geweest tegenover de verdediging en de rechter over toezeggingen die aan [medeverdachte 2] zijn gedaan door de officier van justitie van het landelijk parket belast met getuigenbescherming over de strafeis in de zaak Maggiora, over de manier waarop [medeverdachte 2] de in die zaak opgelegde straf mocht uitzitten en over de aan die toezeggingen verbonden voorwaarden – te weten dat [medeverdachte 2] moest blijven meewerken in de zaak Maggiora en dat hij niet mocht verklaren over de contacten die hij met het openbaar ministerie had in het kader van de verklaringen die hij aflegde.
(iii) Door de verklaringen van [medeverdachte 2] toe te voegen aan het dossier Maggiora heeft het openbaar ministerie wettelijke voorschriften met betrekking tot afspraken met (mede)verdachten omzeild die mede strekken tot bescherming van de belangen van de aanvraagster. Zo heeft de verdediging [medeverdachte 2] niet over zijn op grond van toezeggingen tot stand gekomen verklaringen kunnen ondervragen, omdat hij zich bij zaaksinhoudelijke vragen grotendeels op zijn verschoningsrecht beriep.
6.Beslissing
14 april 2026.