Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:565

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
25/02831
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31a lid 2 letter e Wet LB 1964Art. 31a lid 7 Wet LB 1964Art. XIV Belastingplan 2019Art. 10ec UBLB 1965Art. 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verkorting maximale looptijd 30%-regeling en wijst schadevergoeding af

Belanghebbende, een B.V., stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam dat de verkorting van de maximale looptijd van de 30%-regeling bevestigde. Deze regeling was toegepast op de afdracht van loonheffing over de periode februari 2021 tot en met juni 2022. Tevens verzocht belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Hoge Raad beoordeelde de middelen en verwierp deze, verwijzend naar een eerder arrest van 13 februari 2026 waarin soortgelijke klachten waren behandeld. De klachten over het hof werden niet gegrond verklaard en de Hoge Raad zag geen noodzaak tot nadere motivering omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Het verzoek om immateriële schadevergoeding werd niet in behandeling genomen omdat het was gesteld onder de voorwaarde dat het cassatieberoep gegrond zou worden verklaard, wat niet het geval was. De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af en veroordeelde partijen niet in de proceskosten.

De uitspraak bevestigt het zorgvuldigheids-, rechtszekerheids-, evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel in de toepassing van de 30%-regeling en onderstreept de beperkte mogelijkheden tot vergoeding bij termijnoverschrijding in cassatieprocedures.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding wordt afgewezen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer25/02831
Datum10 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 22 juli 2025, nrs. 24/3256 tot en met 24/3272 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 22/3477 tot en met HAA 22/3487, HAA 22/5852 en HAA 23/7157 tot en met HAA 23/7161) betreffende de afdracht van loonheffing over de tijdvakken februari 2021 tot en met juni 2022 en een verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door T. Smit, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek.

2.Beoordeling van de middelen

2.1
De middelen 2 en 3 falen. De Hoge Raad verwijst hiertoe naar wat is overwogen in zijn arrest van 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:123, rechtsoverwegingen 4.1.2 tot en met 4.4.
2.2
De Hoge Raad heeft ook de klachten over de uitspraak van het Hof in middel 1 beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Verzoek om schadevergoeding

Het verzoek om vergoeding van immateriële schade is gedaan onder de voorwaarde dat positief op het beroep in cassatie wordt beslist, dan wel de zaak in der minne wordt geschikt. Aangezien die voorwaarde niet is vervuld, zal de Hoge Raad dit verzoek niet in behandeling nemen.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.