ECLI:NL:HR:2026:565
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt verkorting maximale looptijd 30%-regeling en wijst schadevergoeding af
Belanghebbende, een B.V., stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam dat de verkorting van de maximale looptijd van de 30%-regeling bevestigde. Deze regeling was toegepast op de afdracht van loonheffing over de periode februari 2021 tot en met juni 2022. Tevens verzocht belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Hoge Raad beoordeelde de middelen en verwierp deze, verwijzend naar een eerder arrest van 13 februari 2026 waarin soortgelijke klachten waren behandeld. De klachten over het hof werden niet gegrond verklaard en de Hoge Raad zag geen noodzaak tot nadere motivering omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding werd niet in behandeling genomen omdat het was gesteld onder de voorwaarde dat het cassatieberoep gegrond zou worden verklaard, wat niet het geval was. De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af en veroordeelde partijen niet in de proceskosten.
De uitspraak bevestigt het zorgvuldigheids-, rechtszekerheids-, evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel in de toepassing van de 30%-regeling en onderstreept de beperkte mogelijkheden tot vergoeding bij termijnoverschrijding in cassatieprocedures.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding wordt afgewezen.