Uitspraak
1.Procesverloop
De advocaat van [eiseres] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
16 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 16 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure over de aansprakelijkheid van [verweerder] voor letselschade die [eiseres] heeft geleden tijdens een zeilreis. De zaak betreft een ongeval dat plaatsvond op 17 februari 2015, terwijl [eiseres] deelnam aan een zeilreis georganiseerd door [verweerder], die als schipper optrad. [eiseres] vorderde een verklaring voor recht dat [verweerder] aansprakelijk was voor de schade die zij had geleden, en veroordeling van [verweerders] tot schadevergoeding. De kantonrechter had de vordering afgewezen, en het gerechtshof bevestigde dit oordeel. Het hof oordeelde dat de rechtsverhouding tussen [eiseres] en [verweerder] gekwalificeerd moest worden als een overeenkomst van personenvervoer over zee, en niet als een werkgeversrelatie of een overeenkomst van opdracht. Het hof concludeerde dat [eiseres] niet als werknemer van [verweerder] kon worden beschouwd, en dat de aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW niet van toepassing was. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen, en de kosten van het geding in cassatie zijn voor rekening van [eiseres].