ECLI:NL:HR:2026:588
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslagen inkomstenbelasting
Belanghebbende heeft in cassatie beroep ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat het hoger beroep tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2013, 2014 en 2016 verwierp. Tevens verzocht belanghebbende om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad motiveert dit niet inhoudelijk omdat de klachten geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht bevatten, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.
Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen voor zover het betrekking heeft op de cassatieprocedure, omdat deze nog binnen de redelijke termijn is verlopen. Voor zover het verzoek ziet op eerdere procesfasen, geldt dat dit als klacht tegen het hofarrest wordt beoordeeld en eveneens wordt afgewezen.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest is op 10 april 2026 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Feteris, van der Voort Maarschalk en van Roij.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.