Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:588

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
25/03597
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslagen inkomstenbelasting

Belanghebbende heeft in cassatie beroep ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat het hoger beroep tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2013, 2014 en 2016 verwierp. Tevens verzocht belanghebbende om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad motiveert dit niet inhoudelijk omdat de klachten geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht bevatten, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.

Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen voor zover het betrekking heeft op de cassatieprocedure, omdat deze nog binnen de redelijke termijn is verlopen. Voor zover het verzoek ziet op eerdere procesfasen, geldt dat dit als klacht tegen het hofarrest wordt beoordeeld en eveneens wordt afgewezen.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest is op 10 april 2026 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Feteris, van der Voort Maarschalk en van Roij.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer25/03597
Datum10 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 augustus 2025, nrs. BK-ARN 23/2404 tot en met 23/2406, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nrs. LEE 22/2311 tot en met 22/2313) betreffende aan belanghebbende over de jaren 2013, 2014 en 2016 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door [A], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Zij heeft daarbij bovendien verzocht om schadevergoeding.
Zowel de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1], als de Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Verzoek om schadevergoeding

Belanghebbende heeft in cassatie verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor zover dit verzoek betrekking heeft op de duur van de cassatieprocedure moet het worden afgewezen omdat de redelijke termijn sinds de indiening van het beroep in cassatie op 6 oktober 2025 niet is overschreden. Voor zover dit verzoek betrekking heeft op het tijdsverloop in de eerdere fasen van het geding, moet het worden opgevat als klacht tegen de uitspraak van het Hof. Daarvoor geldt wat in onderdeel 2 hiervoor is overwogen.

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.