De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens voor zover die strekt tot betaling door de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) van een bedrag van € 1.000 aan belanghebbende als vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend voor zover daarbij de proceskosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank zijn vastgesteld op in totaal € 534,
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op de helft van € 934, oftewel € 467, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op de helft van € 934, oftewel € 467, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op de helft van € 1.868, oftewel € 934, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op de helft van € 1.868, oftewel € 934, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden de helft van het door belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 134, oftewel € 67,
- draagt de Inspecteur op aan belanghebbende te vergoeden de helft van het door belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 134, oftewel € 67,
- bepaalt dat de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) wettelijke rente is verschuldigd over de door hem te betalen vergoeding van het voor het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 67), de proceskosten van het geding voor het Hof (€ 934) en de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep (€1.000), in totaal € 2.001, vanaf 24 april 2024 tot de dag van de algehele voldoening daarvan,
- bepaalt dat de Inspecteur wettelijke rente is verschuldigd over de door hem te betalen vergoeding van het voor het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 67) en de proceskosten van het geding voor het Hof (€ 934), in totaal € 1.001, vanaf 24 april 2024 tot de dag van de algehele voldoening daarvan,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden de helft van het door belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht van € 279, oftewel € 139,50,
- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden de helft van het door belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht van € 279, oftewel € 139,50,
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 421, oftewel € 210,50, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 421, oftewel € 210,50, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.