Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
16 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 16 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure betreffende de ontzegging van omgang tussen een moeder en haar minderjarige dochter. De moeder, die in cassatie is gegaan, verzoekt om uitbreiding van de omgangsregeling, terwijl de pleegouders, die de minderjarige onder hun hoede hebben, een verzoek hebben ingediend om de omgang te beperken. De rechtbank Rotterdam heeft in eerdere procedures de verzoeken van zowel de moeder als de pleegouders afgewezen, maar het gerechtshof Den Haag heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en de moeder het recht op omgang ontzegd. Het hof heeft overwogen dat de minderjarige ernstige bezwaren heeft geuit tegen omgang met haar moeder, wat in strijd zou zijn met haar zwaarwegende belangen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd en dat niet is onderzocht of de omgang in enige vorm behouden kon blijven. De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het gerechtshof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.