Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
16 januari 2026.
Hoge Raad
De moeder van een minderjarige dochter verzocht om uitbreiding van de omgangsregeling met haar kind, die sinds 2015 beperkt was tot een uur per acht weken onder begeleiding op een vaste locatie. De pleegouders verzochten juist om beperking van de omgang tot twee begeleide bezoeken per jaar. De rechtbank wees beide verzoeken af, maar het hof vernietigde dit en ontzegde de moeder het omgangsrecht volledig, vanwege ernstige bezwaren van de minderjarige en het belang van het kind.
De moeder stelde cassatie in tegen deze ontzegging. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had onderzocht of minder ingrijpende maatregelen mogelijk waren, zoals een beperking in frequentie of vorm van omgang. De motivering van het hof voldeed niet aan de hoge eisen die gelden voor het ontzeggen van het fundamentele recht op omgang, zoals verankerd in art. 1:377a BW en art. 8 EVRM Pro.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing, waarbij het belang van het kind en de noodzaak tot behoud van familiebanden centraal moeten staan.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de ontzegging van het omgangsrecht en verwijst de zaak voor herbeoordeling naar het gerechtshof Amsterdam.