Conclusie
hierna: de vrouw; en
1.Inleiding en samenvatting
De dochter verzoekt de beschikking van de rechtbank te vernietigen voor zover dit de afwijzing van het verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage voor haar betreft, en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man aan de dochter een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van € 250,- per maand met ingang van 4 augustus 2023 moet voldoen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1betreft de kinderbijdragen.
Onderdeel 2ziet op de omgangsregeling.
eerste onderdeelis gericht tegen r.o. 5.16 tot en met 5.18 van de bestreden beschikking, waarin de rechtbank als volgt overwoog:
Draagkrachtvergelijking
eerste klachtwijst de man op vaste rechtspraak [7] waaruit blijkt dat wanneer iemand onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit verschillende relaties, het voor onderhoud beschikbare bedrag in beginsel gelijkelijk tussen die kinderen wordt verdeeld. Indien een ouder verschillende relaties is aangegaan waaruit kinderen zijn geboren, zal niet alleen rekening moeten worden gehouden met het feit dat die ouder verplicht is bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van die kinderen, maar ook met het feit dat op de andere ouder van die kinderen eenzelfde verplichting rust of kan rusten.
Volgens de man heeft het hof deze rechtspraak miskend door bij de bepaling van de draagkracht en onderhoudsverplichtingen van de man slechts rekening te houden met zijn twee kinderen met de vrouw en niet met zijn jongste kinderen met zijn nieuwe partner. Uit de overwegingen van het hof blijken geen bijzondere omstandigheden die een dergelijke ongelijke verdeling rechtvaardigen. De overweging van het hof dat geen gegevens zijn overgelegd met betrekking tot zijn jongste twee kinderen kan zonder nadere motivering de ongelijke verdeling niet dragen, aldus de man.
tweede klachtis dat het hof heeft miskend dat kinderalimentatie van openbare orde is en dat het hof daarom gehouden was om dit punt verder te onderzoeken en zo nodig nadere inlichtingen had moeten inwinnen bij partijen. [8] Daarbij wijst de man ook op artikel 3 IVRK. Hij betoogt dat uit deze bepaling volgt dat de belangen van het kind de eerste overweging zijn bij maatregelen betreffende kinderen en dat daaruit voortvloeit dat de rechter – zo nodig ambtshalve – moet waken voor de belangen van niet bij de procedure betrokken kinderen die door de uitkomst van de procedure (financieel) kunnen worden geraakt. Het hof heeft dit volgens de man miskend door niet te onderzoeken en af te wegen wat als redelijk moet worden beschouwd jegens de andere kinderen en hun belangen af te wegen. [9]
derde klachtis dat het oordeel onbegrijpelijk is, omdat de man wel degelijk gegevens met betrekking tot zijn twee jongste kinderen heeft overgelegd, waarbij hij bovendien is uitgegaan van een gelijke verdeling. Hij verwijst daarbij naar zijn verweerschrift tevens incidenteel appel en twee daarbij horende producties, [10] waaruit volgens de man blijkt dat hij kosten van € 441,- voor elk van de kinderen heeft opgevoerd, althans dat wordt uitgegaan van een gelijke verdeling. In zijn aanvullende procesinleiding verwijst de man in dit verband ook nog naar een aantal passages uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep. [11]
vierde klachtdat het hof heeft miskend dat de wet geen rangorde toekent aan onderhoudsverplichtingen. [12] Uit de stellingen van de man vloeit voort dat hij zijn kinderen in financieel opzicht gelijk wenst te behandelen, althans is niet gebleken van het tegendeel. [13] Daarom is het onjuist of onbegrijpelijk dat het hof uitgaat van een ongelijke verdeling, althans dat het hof geen nader onderzoek heeft gedaan of de gegevens van de jongste twee kinderen heeft opgevraagd.
Indien een ouder verschillende relaties is aangegaan waaruit kinderen zijn geboren, zal niet alleen rekening moeten worden gehouden met het feit dat die ouder verplicht is bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van die kinderen, maar ook met het feit dat op de andere ouder van die kinderen eenzelfde verplichting rust of kan rusten. Aldus kan de bijdrageverplichting van die andere ouder mede van invloed zijn op het voor een kind uit een eerdere of latere relatie beschikbare gedeelte van de draagkracht van de jegens dat kind onderhoudsplichtige ouder.
gezamenlijke besprekinglenen.
bijlage 7wordt een kopie van deze berekening overgelegd.
bijlage 8wordt een berekening van de verdeling van de kosten van de kinderen overgelegd waarin deze lagere woonlasten zijn verwerkt. In die situatie bedraagt de draagkracht van de vrouw € 1.157 per maand.”
Advocaat van de man
Gezamenlijk ouderlijk gezag en zorg-/omgangsregeling
eerste en primaire klachtis, kort gezegd, dat het oordeel van het hof dat in het belang van de zoon de omgang aan de zoon wordt overgelaten, terwijl die heeft aangegeven op dit moment geen behoefte te voelen dit op te pakken, onjuist of onbegrijpelijk is, gelet op door de man in het onderdeel genoemde maatstaven en stellingen. De man beroept zich op de maatstaven voor het ontzeggen van omgang, welke maatstaven het hof zou hebben miskend. Het hof heeft volgens de man ook de uit artikel 8 EVRM voortvloeiende plicht miskend om zich – zo nodig ambtshalve – zoveel mogelijk in te spannen om het recht op omgang (
family life) tussen ouder en kinderen mogelijk te maken [22] en een proportionele en subsidiaire maatregel te treffen [23] en daarbij een “echte afweging” te maken tussen de belangen van de man en de zoon. Het hof heeft hoofdzakelijk naar het (veronderstelde) belang van het kind gekeken en daartegenover het belang van de man bij omgang onvoldoende afgewogen, aldus de man. Ook heeft het hof volgens de man ten onrechte onvoldoende onderzocht of een minder verstrekkende maatregel dan afwijzing van de verzochte omgang, althans om dit over te laten aan de zoon, mogelijk was, bijvoorbeeld beperkte omgang, zodat contactherstel kon worden geprobeerd.
tweede en subsidiaire klachtis dat als het hof de in de eerste klacht genoemde maatstaven niet heeft miskend, het oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het belang van de zoon groter is dan het belang van de man om het contact met zijn zoon te behouden/herstellen en ouderverstoting te voorkomen. Dat er al geruime tijd geen omgang is en de zoon heeft aangegeven daar geen behoefte aan te hebben is onvoldoende doorslaggevend. Dit geldt volgens de man ook voor de leeftijd van de zoon (15 ten tijde van het nemen van de bestreden beschikking). Het is immers de vraag of hij op die leeftijd de eventuele gevolgen voor zijn identiteitsontwikkeling bij inperking van contact met zijn vader voldoende kan overzien. Ook blijkt niet van contra-indicaties, terwijl het hof in de afweging geen kenbare aandacht besteedt aan de belangen van de man, aldus de man.
family lifetussen ouders en hun kinderen mogelijk te maken. [26] Het recht op omgang is een fundamenteel onderdeel van het in art. 8 EVRM verankerde recht op ‘
family life’. Artikel 8 lid 2 EVRM eist voor het aanbrengen van beperkingen op het recht op omgang dat dit bij wet is bepaald, noodzakelijk is in een democratische samenleving en een gerechtvaardigd doel dient. Beperkingen moeten voldoen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Nationale autoriteiten hebben een beperkte “
margin of appreciation”als het gaat om maatregelen die de omgang tussen ouder en kind beperken. Hoe ingrijpender de gevolgen van de beperking, des te indringender dient de noodzaak daarvan te worden getoetst. Artikel 8 EVRM eist dat een redelijk evenwicht wordt bereikt tussen de belangen van het kind en die van de ouders, en dat daarbij bijzonder gewicht wordt toegekend aan de belangen van het kind. [27]
eerste (rechts)klachtfaalt voor zover daarin tot uitgangspunt wordt genomen dat het hof de man omgang met de zoon ontzegd heeft (art. 1:377a lid 3 BW). Van ontzegging van omgang is in de bestreden beschikking immers geen sprake. Weliswaar wordt de door de man verzochte omgangsregeling niet toegewezen, maar er wordt wel een omgangsregeling vastgesteld, waarbij het verzoek van de vrouw wordt toegewezen. Dat dit een omgangsregeling is waarvan de invulling aan de zoon wordt overgelaten en mogelijk betekent dat feitelijk geen (of pas na verloop van tijd) omgang zal plaatsvinden, omdat de zoon dit nu niet wenst, maakt niet dat daarmee sprake is van ontzegging van de omgang. De eerste klacht mist daardoor feitelijke grondslag en kan dus niet tot cassatie leiden.
tweede (motiverings)klachtfaalt. Het oordeel van het hof om de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling in stand te laten is niet onvoldoende gemotiveerd of anderszins onbegrijpelijk.
De zorgregeling/omgangsregeling
het is bijvoorbeeld acceptabel als wordt aangegeven dat de afspraken in onderling overleg met de minderjarige zullen worden gemaakt, gelet op zijn leeftijd).”