ECLI:NL:HR:2026:615
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en een termijn van vier weken gesteld voor betaling. Deze brief kon niet worden bezorgd omdat niemand op het adres van belanghebbende werd aangetroffen en is vervolgens naar een afhaallocatie van PostNL gestuurd. Belanghebbende heeft de brief niet opgehaald, waarna deze wegens onbestelbaarheid is teruggezonden aan de Hoge Raad.
Na adresverificatie is de brief alsnog per gewone post verzonden, maar het griffierecht is niet voldaan. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld om te reageren op het niet betalen van het griffierecht, maar zijn reactie bood geen grond om het verzuim te verhelpen. De Hoge Raad oordeelt dat de gevolgen van het niet ophalen van de aangetekende brief voor rekening en risico van belanghebbende komen.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb wordt het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om belanghebbende in de proceskosten te veroordelen. Het arrest is op 10 april 2026 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.