Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
14 april 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van de invoer van 3.776 kilogram cocaïne en medeplegen van gewoontewitwassen. De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waaronder klachten over het bewijs en de redelijke termijn.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over het bewijs niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en hoefde deze niet nader te motiveren. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, mede doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de cassatie-uitspraak pas na meer dan zestien maanden volgde terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef.
Dit leidde tot vernietiging van het deel van het arrest dat de duur van de gevangenisstraf betrof, en tot vermindering van de straf tot vijf jaar en zes maanden. Het overige beroep werd verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad op 14 april 2026.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vijf jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.