Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:655

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
25/00561
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 140 lid 2 SrArt. 11b lid 2 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag tot herziening wegens niet-ontvankelijkheid OM bij medeplegen Opiumwet- en wapenfeiten

De aanvrager is door de rechtbank Noord-Nederland veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf voor medeplegen van meerdere Opiumwetdelicten, deelname als oprichter en leider aan een criminele organisatie, gewoontewitwassen en medeplegen van wapen- en munitiedelicten. De aanvraag tot herziening betrof de stelling dat de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou hebben verklaard in de vervolging van de aanvrager indien zij bekend was geweest met nieuwe informatie over vormverzuimen bij verklaringen van een medeverdachte, zoals vastgesteld in een andere zaak.

De advocaat-generaal concludeerde tot afwijzing van de aanvraag, verwijzend naar een identieke herzieningszaak. De Hoge Raad volgde deze conclusie en verwees naar een gelijktijdig arrest waarin de gronden voor afwijzing uitvoerig zijn gemotiveerd. De Hoge Raad oordeelde dat de aanvraag ongegrond is omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 457 lid 1 sub c Sv Pro.

De beslissing bevestigt de rechtsgeldigheid van het oorspronkelijke vonnis en sluit de mogelijkheid van herziening op deze grond uit. Hiermee blijft de strafoplegging van acht jaar gevangenisstraf ongewijzigd. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 14 april 2026.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af en bevestigt de straf van acht jaar gevangenisstraf.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer25/00561 H
Datum14 april 2026
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 1 augustus 2017, nummer 18-950041-15, ingediend door de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes,
namens
[aanvrager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de aanvrager.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De rechtbank heeft de aanvrager veroordeeld voor ‘medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet voorbereiden, meermalen gepleegd’, ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’, ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’, ‘als oprichter en leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet’, ‘als oprichter en leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’, ‘gewoontewitwassen’, ‘medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, en artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en de feiten begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en/of een vuurwapen van categorie II, meermalen gepleegd’ en ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III’ tot een gevangenisstraf van acht jaren.

2.De aanvraag tot herziening

2.1
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2
De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering. In de aanvraag wordt daartoe in de kern aangevoerd dat sprake is van het ernstige vermoeden dat de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou hebben verklaard in de vervolging van de aanvrager – zoals het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden deed in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] die is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2024:7367 – als de rechtbank bekend was geweest met de eerst bij de behandeling van die zaak in hoger beroep bekend geworden informatie over de vormverzuimen in verband met de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 2] .

3.De conclusie van de advocaat-generaal

3.1
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot afwijzing van de aanvraag tot herziening en heeft voor de redenen daarvoor verwezen naar zijn conclusie in de zaak van de voormalige medeverdachte van de aanvrager op grond van een identiek herzieningsverzoek in de zaak met nummer 25/00562 H.
3.2
De raadslieden van de aanvrager hebben daarop schriftelijk gereageerd en daarbij verwezen naar hun schriftelijke reactie op de conclusie van de advocaat-generaal in de zaak met nummer 25/00562 H.

4.Beoordeling van de aanvraag

De aanvraag is ongegrond. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 25/00562 H, ECLI:NL:HR:2026:562.

5.Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 april 2026.