Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:659

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
24/03975
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 Leerplichtwet 1969Art. 5.b Leerplichtwet 1969Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens onvoldoende concreet beroep op vrijstelling leerplicht

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de moeder werd veroordeeld wegens het niet inschrijven van haar 5-jarige dochter op school, in strijd met de Leerplichtwet 1969.

De moeder voerde in cassatie aan dat zij een beroep kon doen op de vrijstellingsgrond van artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969, omdat de openbare scholen niet op redelijke afstand van haar woning waren. Het hof oordeelde echter dat haar bedenkingen onvoldoende concreet en zwaarwegend waren om tot een vrijstelling te leiden.

De Hoge Raad sluit zich aan bij het oordeel van het hof en verwijst naar een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2026:658) waarin de motivering is gegeven. De klachten van de moeder leiden niet tot vernietiging van het hofarrest. Het beroep wordt derhalve verworpen.

De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 21 april 2026, waarbij vijf raadsheren en de vice-president als voorzitter aanwezig waren.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen wegens onvoldoende concreet en zwaarwegend beroep op vrijstelling van de leerplicht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/03975
Datum21 april 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 oktober 2024, nummer 23-000708-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat L.E.G. van der Hut bij schriftuur en bij aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de bedenkingen van de verdachte met betrekking tot de openbare scholen op redelijke afstand van de woning onvoldoende concreet en onvoldoende zwaarwegend zijn en dat daarom de verdachte geen beroep toekomt op de vrijstelling als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969.
2.2
Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 24/03974, ECLI:NL:HR:2026:658.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, T. Kooijmans, F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 april 2026.