Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Waar het in deze zaak om gaat
De reden daarvoor is allereerst dat in de praktijk vragen bestaan over de manier waarop dat toetsingskader moet worden toegepast. Daarnaast beoogt de Hoge Raad met de nadere invulling en aanscherping van het toetsingskader duidelijkheid te verschaffen over de grenzen die het recht op onderwijs – zoals dat in de loop van de tijd vorm heeft gekregen in de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) en in internationaalrechtelijke en Unierechtelijke bepalingen – stelt aan de mogelijkheid om een beroep op vrijstelling van de inschrijfplicht te honoreren wegens overwegende bedenkingen. Deze begrenzing houdt verband met de toegenomen betekenis van het recht op onderwijs voor een volwaardige deelname aan de samenleving sinds de introductie van de vrijstellingsgrond in de Leerplichtwet 1900 en de handhaving daarvan in de nu geldende Leerplichtwet 1969. Van de overheid mag daarbij actief optreden worden gevergd om de Leerplichtwet 1969 te handhaven, zo nodig langs strafrechtelijke weg.
Samengevat komt het oordeel van de Hoge Raad erop neer dat met betrekking tot openbare scholen alleen nog met succes een beroep kan worden gedaan op de hiervoor genoemde vrijstellingsgrond als komt vast te staan dat het onderwijs op alle openbare scholen binnen redelijke afstand van de woning, voor zover dat onderwijs godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is, niet plaatsvindt op een objectieve, kritische en pluralistische manier. Dit zal in de praktijk betekenen dat een beroep op deze vrijstellingsgrond, waar het gaat om openbaar onderwijs, nog slechts onder uitzonderlijke omstandigheden zal kunnen slagen.
3.Bewezenverklaring en bewijsvoering
Standpunt van de advocaat-generaal
schoolplicht.
tegen de richting van het onderwijsis niet een bezwaar begrepen tegen de soort van het onderwijs, tegen de leerplicht als zodanig of tegen de wettelijke inrichting van het onderwijs (ECLI:NL:HR:2019:1925). Enkel de
richtingvan het onderwijs kan dus het voorwerp van bezwaar zijn. Onder
richtingvan het onderwijs wordt een fundamentele oriëntatie verstaan, die is ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing. Bezwaren kunnen echter ook bestaan tegen het
ontbrekenvan een richting, zoals in het algemeen openbaar onderwijs (ECLI:NL:HR:2012:BV9201 en ECLI:NL:HR:2017:3111).
welbepaaldegodsdienstige overtuiging of levensbeschouwing. De eis van een welbepaalde godsdienst of levensovertuiging wordt zo dus in verband gebracht met zowel de richting van het onderwijs waar de bezwaren tegen zijn gericht als met de overtuigingen waar de gemoedsbezwaren op berusten. Van een
welbepaaldegodsdienstige overtuiging of levensbeschouwing, waarop de gemoedsbezwaren berusten, is geen sprake indien het betreffende samenstel van opvattingen zich onvoldoende nauwkeurig laat bepalen of het daarin ontbreekt aan een voldoende mate van ernst of samenhang. Tot slot moet sprake zijn van voldoende concrete en voldoende zwaarwegende bezwaren die verband houden met onderwijs aan kinderen zoals een school dat kan bieden (ECLI:NL:HR:2019:1925).
4.Juridisch kader
(i) verband houden met ernstige gemoedsbezwaren van de in artikel 2 lid 1 Lpw Pro bedoelde persoon die berusten op een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing,
(ii) betrekking hebben op de richting en daarom de fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing, van – kort gezegd – het in artikel 5, aanhef en onder b, Lpw bedoelde onderwijs en
(iii) voldoende concrete en voldoende zwaarwegende bezwaren betreffen die verband houden met onderwijs zoals een school dat kan bieden.
(Vgl. HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1925.)
Uit deze overwegingen komt verder naar voren dat artikel 2 Eerste Pro Protocol bij het EVRM er niet aan in de weg staat dat het onderwijs overdracht omvat van kennis en informatie van direct of indirect godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Hoewel er respect moet bestaan voor de godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing van de ouders, komt aan hen – op deze verdragsrechtelijke basis – niet het recht toe bezwaar te maken tegen de integratie van dergelijk onderwijs in het schoolcurriculum, omdat anders het risico zou ontstaan dat al het geïnstitutionaliseerde onderwijs onmogelijk wordt. Daarbij rust op de Staat wel de verplichting ervoor zorg te dragen dat binnen het schoolcurriculum overdracht van informatie en kennis plaatsvindt op een objectieve, kritische en pluralistische manier.
Dit betekent ook dat de eerdere rechtspraak van de Hoge Raad waarin is beslist dat overwegende bedenkingen ook kunnen zijn gericht tegen het ontbreken van een levensbeschouwelijke of godsdienstige richting van het onderwijs en daarom ook tegen de richting van het openbaar onderwijs (vgl. HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3111), moet worden bijgesteld. Uit wat onder 4.7 is overwogen, volgt immers dat overwegende bedenkingen tegen uitsluitend de neutrale richting van het openbaar onderwijs niet volstaan voor een beroep op de vrijstellingsgrond als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, Lpw.
Het recht van ouders om zich van die opvoeding en van dat onderwijs te verzekeren, die overeenstemmen met hun eigen godsdienstige en filosofische overtuigingen, verzet zich – ook in het licht van artikel 9 EVRM Pro en artikel 2 Eerste Pro Protocol bij het EVRM – niet tegen deze aanscherping van de onder 4.2 weergegeven rechtspraak.Ouders hebben immers in Nederland de vrijheid hun kinderen de school van hun keuze te laten bezoeken. Dat kan ook een zelf opgerichte school zijn waar volgens hun godsdienstige of levensbeschouwelijke opvattingen wordt lesgegeven. Daarnaast hebben ouders de vrijheid hun kinderen na schooltijd en in het weekend onderwijs te laten volgen dat in overeenstemming is met hun opvattingen. (Vgl. HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM6898, rechtsoverweging 5.5.)
5.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
6.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
7.Beslissing
21 april 2026.