Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
19 mei 2026.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelt een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene was in een samenhangende strafzaak veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift, gewoontewitwassen en deelname aan een criminele organisatie.
Het hof had het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op basis van drie componenten, waarbij component 1 betrekking had op vergoedingen van inhouse vennootschappen. Het hof rekende dit voordeel toe aan betrokkene op grond van zijn materiële zeggenschap over deze vennootschappen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat betrokkene daadwerkelijk vrijelijk en te eigen bate over het voordeel heeft kunnen beschikken. De enkele materiële zeggenschap is onvoldoende om het voordeel aan betrokkene toe te rekenen. Daarom vernietigt de Hoge Raad dit deel van de uitspraak en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.
De overige cassatiemiddelen worden niet behandeld en het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het oordeel over de toerekening van wederrechtelijk verkregen voordeel en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.