Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
14 juni 2022.
Hoge Raad
In deze cassatieprocedure stond de vraag centraal of het wederrechtelijk verkregen voordeel van een ambtenaar ook kon worden toegerekend aan hem indien betalingen via de bankrekening van zijn besloten vennootschap (BV) liepen. De betrokkene was veroordeeld voor het aannemen van giften en valsheid in geschrift, waarbij hij gebruikmaakte van valse facturen om betalingen via zijn BV te verhullen.
Het hof had geoordeeld dat de giften die via de BV-rekening waren ontvangen, als voordeel van de betrokkene moesten worden beschouwd omdat hij als enige beslissingsbevoegde volledig over de gelden kon beschikken. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en wees erop dat bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden uitgegaan van het daadwerkelijke voordeel dat de betrokkene heeft genoten, conform het reparatoire karakter van de maatregel.
Daarnaast verwierp de Hoge Raad het beroep op het fiscale mechanisme, dat inhoudt dat belastingheffing bij de BV in mindering zou moeten worden gebracht op het voordeel van de betrokkene. Volgens de Hoge Raad is dit niet relevant voor de omvang van het voordeel, omdat de betrokkene zelf heeft gekozen de giften via de BV te laten lopen.
Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, waardoor de betalingsverplichting tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel werd verminderd van €357.231,86 naar €352.231. Het overige beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene en vermindert de betalingsverplichting tot €352.231 wegens termijnoverschrijding.