Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:693

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
25/01914
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake vermakelijkhedenretributie gemeente Amsterdam

Belanghebbende, een besloten vennootschap, had beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam dat het hoger beroep behandelde over de op aangifte voldane bedragen aan vermakelijkhedenretributie voor het tweede, derde en vierde kwartaal van 2019.

Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam had verweer gevoerd tegen het cassatieberoep. De Advocaat-Generaal concludeerde tot ongegrondverklaring van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest.

De Hoge Raad motiveert zijn oordeel niet, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en op 17 april 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer25/01914
Datum17 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE AMSTERDAM
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 10 april 2025, nrs. 23/1201 tot en met 23/1203, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nrs. AMS 21/2955, AMS 21/2958 en AMS 21/2960) betreffende op aangifte voldane bedragen voor het tweede, derde en vierde kwartaal van het jaar 2019 aan vermakelijkhedenretributie van de gemeente Amsterdam. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.O. Lubbers, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 30 januari 2026 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [1]
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.