Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
6 januari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van de betrokkene. De betrokkene werd geconfronteerd met een betalingsverplichting van €80.028, gebaseerd op een eenvoudige kasopstelling.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting, met vermindering naar de gebruikelijke maatstaf. De Hoge Raad heeft de klachten van de betrokkene beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak, zonder nadere motivering.
Vanwege het feit dat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, werd de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro overschreden. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de betalingsverplichting van €80.028 naar €76.028.
De Hoge Raad vernietigde het hofvonnis uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting en verwierp het beroep voor het overige. Hiermee werd de betalingsverplichting verminderd, maar bleef de ontnemingsvordering in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot €76.028 wegens overschrijding van de redelijke termijn en vernietigt het hofvonnis deels.