Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:718

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
24/04538
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest Hof Arnhem-Leeuwarden inzake loonbelasting en bevestigt uitspraken Rechtbank Noord-Nederland

De zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 oktober 2024, waarin het Hof uitspraak deed over de loonbelastingaanslagen en belastingrente voor de jaren 2016 en 2017 van belanghebbende.

De Staatssecretaris stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte bepaalde Liechtensteinse socialezekerheidspremies buiten het belastbare loon had gelaten. Belanghebbende stelde een incidenteel cassatieberoep in, dat door de Hoge Raad ongegrond werd verklaard.

De Advocaat-Generaal concludeerde tot gegrondverklaring van het principale beroep en ongegrondverklaring van het incidentele beroep. De Hoge Raad volgde deze conclusie en vernietigde het arrest van het Hof, waarbij de uitspraken van de Rechtbank Noord-Nederland werden bevestigd.

De Hoge Raad oordeelde dat het belastbare loon inclusief de Liechtensteinse socialezekerheidspremies hoger is dan het loon dat in de aanslagen werd gehanteerd. Omdat de overige bezwaren in cassatie niet slaagden, waren de beroepen terecht door de Rechtbank ongegrond verklaard.

De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en sprak het arrest uit op 24 april 2026.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en bevestigt de uitspraken van de Rechtbank inzake de loonbelastingaanslagen 2016 en 2017.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/04538
Datum24 april 2026
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X4] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 oktober 2024, nrs. BK-ARN 22/2250 en 22/2251 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Noord-Nederland (nrs. LEE 20/1618 en LEE 21/966) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2016 en 2017 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente.

1.Geding in cassatie

1.1
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.J. van Dam, heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
1.2
Belanghebbende heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.
Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.
1.3
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 5 december 2025 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie en ongegrondverklaring van het incidentele beroep in cassatie. [2] Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de in het incidentele beroep voorgestelde middelen

De in het incidentele beroep voorgestelde middelen kunnen niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel

Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in onderdeel 5 van het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 24/04536, ECLI:NL:HR:2026:564.

4.Slotsom

Gelet op wat hiervoor in onderdeel 3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Uit de stukken van het geding volgt dat het belastbare loon van belanghebbende inclusief de door het Hof buiten aanmerking gelaten Liechtensteinse socialezekerheidspremies (de
Abzüge) voor beide jaren hoger is dan het in de aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (zoals deze luiden na bezwaar) (hierna: de aanslagen) in aanmerking genomen belastbare loon. Nu de aanslagen voor het overige in cassatie niet of, gelet op wat hiervoor in onderdeel 2 is overwogen, tevergeefs zijn bestreden, heeft de Rechtbank de beroepen daarom terecht ongegrond verklaard. De uitspraken van de Rechtbank moeten worden bevestigd.

5.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
- verklaart het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- bevestigt de uitspraken van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.

Voetnoten

2.ECLI:NL:PHR:2025:1324, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2025:1405.