1.2 De belanghebbenden worden bijgestaan door dezelfde gemachtigde, ook in cassatie. De zaken zijn tegelijk op zitting behandeld door gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De zaken kennen een vergelijkbaar, althans grotendeels gemeenschappelijk, feitencomplex. Voor zover in cassatie van belang zijn de beslissingen en de inhoudelijke overwegingen van het Hof nagenoeg hetzelfde. Datzelfde geldt voor de in cassatie ingediende stukken zowel die van de Staatssecretaris als die van de gemachtigde. Een uitzondering is de zaak 24/04535, waarin in cassatie één middel minder wordt voorgesteld door de gemachtigde, omdat het Hof in die zaak op één punt anders heeft beslist dan in de andere zaken (in het voordeel van de belanghebbende); zie 2.11 en 3.9.
Reden voor selectie
1.3 In elk van de zaken is aan de orde dat de belanghebbende in het desbetreffende jaar in dienst is bij een Liechtensteinse werkgever, dat op het loon uit deze dienstbetrekking Liechtensteinse socialezekerheidspremies zijn ingehouden en dat is komen vast te staan dat het Nederlandse socialezekerheidsrecht van toepassing is op de belanghebbende.
1.4 In dit verband zijn verschillende geschilpunten ontstaan over de heffing van IB/PVV over het desbetreffende jaar. Diverse geschilpunten komen ook terug in enige andere vergelijkbare zaken waarin ik afzonderlijk conclusie neem. Een van die geschilpunten is of de belanghebbende loon in de zin van art. 10 e.v. Wet LB heeft genoten voor zover het gaat om het deel van het brutoloon dat niet is uitbetaald aan de belanghebbende maar dat is ingehouden om Liechtensteinse socialezekerheidspremies te voldoen (het ingehouden premiebedrag), in aanmerking genomen dat is komen vast te staan dat de belanghebbende de Liechtensteinse premies niet verschuldigd is. Deze vraag is aanleiding geweest om de onderhavige zaken en de voormelde vergelijkbare zaken te selecteren voor conclusie.
De Bijlage
1.5 De voormelde vraag heb ik onderzocht in een gemeenschappelijke bijlage (de Bijlage). In de Bijlage kom ik tot de conclusie dat de vraag bevestigend moet worden beantwoord. Dat antwoord bestaat in de kern uit twee onderdelen: (i) het ingehouden premiebedrag is loon als bedoeld in art. 10 Wet LB dat is genoten als onderdeel van het brutoloon door inhouding, en (ii) het ingehouden premiebedrag valt
nietonder het uitgezonderde loon op grond van art. 11(1)(f) en (j)(2) Wet LB of op grond van een beleidsbesluit uit 2014 (Besluit 2014) en daarop betrekking hebbende mededelingen.
Overzicht van de beoordeling van de middelen
1.6 Het Hof heeft het hoger beroep van belanghebbende gegrond verklaard. De Staatssecretaris heeft beroep in cassatie ingesteld en daarbij één middel voorgesteld. Belanghebbende heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld en daarbij – met uitzondering van in één zaak – drie middelen voorgesteld.
Principaal beroep in cassatie
1.7 Het Hof heeft geoordeeld dat het brutoloon niet genoten is voor het bedrag aan de onterechte inhoudingen van Liechtensteinse premies, omdat voor dat bedrag een genietingsmoment als bedoeld in art. 13a Wet LB en art. 3.146 Wet IB ontbreekt. Gelet op de conclusie in de Bijlage slaagt het middel van de Staatssecretaris daartegen (zie 4.1-4.2), zij het niet op alle onderdelen (4.3-4.4).
Incidenteel beroep in cassatie
1.8 Middel 1 heeft betrekking op de ‘Beitrag an die Krankenkasseversicherung’. Zo het middel 1 opkomt tegen het oordeel van het Hof dat deze ‘Beitrag’ tot het loon behoort, faalt het (4.4). Het middel houdt evenwel vooral in dat het Hof ten onrechte een bepaalde passage in de pleitnota niet heeft opgevat als een beroep op de meerderheidsregel. Dit vind ik een lastigere kwestie. Al wikkend en wegend meen ik dat het middel faalt (4.5-4.11).
1.9 Middel 2 faalt, omdat het tevergeefs met een beroep op het evenredigheidsbeginsel het oordeel van het Hof bestrijdt dat het geen oplossing kan bieden voor de onbevredigende situatie van dubbele premieheffing die ontstaat doordat Liechtenstein de Toepassingsverordening niet naleeft (4.12-4.13).
1.10 Middel 3 faalt, omdat het zich zonder succes keert tegen oordeel van het Hof dat de controle van de aangifte niet is voortgevloeid uit een onrechtmatige risicoselectie. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd (4.14-4.15).
Na cassatie
1.11 Het slagen van het principaal beroep in cassatie brengt mee dat belang toekomt aan de niet door het Hof beantwoorde vraag of het ingehouden premiebedrag onder het uitgezonderde loon valt op grond van art. 11(1)(f) en (j)(2) Wet LB of op grond van het Besluit 2014 en de daarop betrekking hebbende Mededeling 2020. Gelet op de analyse in de Bijlage meen ik dat het antwoord negatief luidt (4.17). Verwijzing voor de nieuwe berekening van het belastbaar inkomen uit werk en woning lijkt mij niet nodig (4.18).
Conclusie
1.12 In elk van de zaken is het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond en is het incidentele beroep in cassatie van de belanghebbende ongegrond.