ECLI:NL:HR:2026:728
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vermindert boete in cassatie over naheffingsaanslag omzetbelasting
Belanghebbende, een B.V., was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode van 1 februari 2016 tot en met 31 december 2017, inclusief belastingrente en een boetebeschikking. Na een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant en hoger beroep bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft de klacht tegen het hof beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van de uitspraak leidt. De Hoge Raad hoefde geen inhoudelijke motivering te geven omdat de klacht niet van belang was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Wel constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure van minder dan zes maanden.
Belanghebbende had geen vergoeding van immateriële schade wegens deze termijnoverschrijding gevraagd. De Hoge Raad besloot daarom geen vergoeding toe te kennen voor de naheffingsaanslag en rentebeschikking. Omdat de boete na vermindering door de Rechtbank nog meer dan €1.000 bedroeg, besloot de Hoge Raad de boete verder te verminderen met 5% tot €9.076.
De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af, vernietigde de uitspraken van het hof, de rechtbank en de inspecteur voor zover deze de boetebeschikking betroffen, en wees geen proceskosten toe. Het arrest werd uitgesproken op 24 april 2026 door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de boete wordt verminderd tot €9.076 wegens termijnoverschrijding.