ECLI:NL:HR:2026:728

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
24/00950
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vermindert boete in cassatie over naheffingsaanslag omzetbelasting

Belanghebbende, een B.V., was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode van 1 februari 2016 tot en met 31 december 2017, inclusief belastingrente en een boetebeschikking. Na een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant en hoger beroep bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft de klacht tegen het hof beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van de uitspraak leidt. De Hoge Raad hoefde geen inhoudelijke motivering te geven omdat de klacht niet van belang was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Wel constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure van minder dan zes maanden.

Belanghebbende had geen vergoeding van immateriële schade wegens deze termijnoverschrijding gevraagd. De Hoge Raad besloot daarom geen vergoeding toe te kennen voor de naheffingsaanslag en rentebeschikking. Omdat de boete na vermindering door de Rechtbank nog meer dan €1.000 bedroeg, besloot de Hoge Raad de boete verder te verminderen met 5% tot €9.076.

De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af, vernietigde de uitspraken van het hof, de rechtbank en de inspecteur voor zover deze de boetebeschikking betroffen, en wees geen proceskosten toe. Het arrest werd uitgesproken op 24 april 2026 door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de boete wordt verminderd tot €9.076 wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/00950
Datum24 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 februari 2024, nr. 22/00794 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 19/4622) betreffende een aan belanghebbende over de periode 1 februari 2016 tot en met 31 december 2017 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting, de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.F. Marijnissen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de klacht

De Hoge Raad heeft de klacht over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klacht niet kan leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klacht is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure

3.1
In deze zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld op 18 maart 2024. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met minder dan zes maanden.
3.2
Belanghebbende heeft niet verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure. Wat betreft de bestreden naheffingsaanslag en de rentebeschikking kent de Hoge Raad daarom geen vergoeding van immateriële schade toe. [2]
3.3
De opgelegde boete beloopt, na vermindering daarvan door de Rechtbank, meer dan € 1.000. De Hoge Raad ziet om die reden aanleiding om aan de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure gevolgen te verbinden en zal de boete zoals nader vastgesteld door de Rechtbank, verder verminderen met 5 procent tot € 9.076. [3]

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
- vernietigt de uitspraken van het Hof, van de Rechtbank en van de Inspecteur, maar uitsluitend voor zover deze betrekking hebben op de boetebeschikking, en
- vermindert de boete tot € 9.076.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.

Voetnoten

2.Vgl. HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, rechtsoverweging 5.2.
3.Vgl. HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, rechtsoverweging 4.2.3.