Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:732

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
24/03415 bis
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40, lid 2, Wet WOZArt. 30a, lid 2, letter b, Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vergoeding immateriële schade en proceskosten in WOZ-zaak tegen Cocensus

In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van belanghebbende tegen het dagelijks bestuur van Cocensus behandeld. Het geschil betreft onder meer de vergoeding van immateriële schade en de proceskosten in hoger beroep en cassatie in een zaak over een WOZ-beschikking en onroerendezaakbelasting.

De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest van 27 februari 2026 waarin werd beslist dat het hofarrest niet in stand kan blijven voor zover het de vergoeding van immateriële schade betreft. De Hoge Raad bevestigt nu de uitspraak van de rechtbank over deze vergoeding. Tevens wordt de heffingsambtenaar van de gemeente Dijk en Waard veroordeeld in de kosten van het incidentele hoger beroep, en het dagelijks bestuur van Cocensus in de kosten van de cassatieprocedure.

Belanghebbende heeft geen nadere gegevens verstrekt om aan te tonen dat sprake is van een bijzonder geval voor een hogere proceskostenvergoeding. Daarom wordt de vergoeding berekend conform de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm. De Hoge Raad bepaalt de hoogte van de vergoedingen en draagt Cocensus op het griffierecht te vergoeden.

Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor vergoeding immateriële schade en proceskosten incidenteel hoger beroep, bevestigt de rechtbankuitspraak en veroordeelt Cocensus en de heffingsambtenaar in proceskosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/03415bis
Datum1 mei 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN COCENSUS
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 16 juli 2024, nr. 23/800, nadat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om nadere gegevens te verstrekken.

1.De loop van het geding in cassatie tot dusver

1.1
Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297 (hierna: het arrest van 27 februari 2026), wordt verwezen naar dat arrest.
1.2
Bij het arrest van 27 februari 2026 heeft de Hoge Raad beslist dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven voor zover deze de vergoeding van immateriële schade betreft. De Hoge Raad heeft in dat arrest verder beslist dat hij de zaak kan afdoen door de uitspraak van de Rechtbank wat betreft de vergoeding van immateriële schade te bevestigen.
1.3
De Hoge Raad heeft in dat arrest ook beslist dat de heffingsambtenaar van (thans) de gemeente Dijk en Waard (hierna: de heffingsambtenaar) alsnog zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof voor zover die kosten het incidentele hoger beroep betreffen.
1.4
De Hoge Raad heeft bij het arrest van 27 februari 2026 bovendien beslist dat het dagelijks bestuur van Cocensus zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
2. Nadere beslissing over de omvang van de vergoeding van de kosten van het incidentele hoger beroep
Gelet op wat hiervoor in 1.3 is overwogen, dient de heffingsambtenaar alsnog te worden veroordeeld in de kosten van belanghebbende voor het incidentele hoger beroep, bestaande uit kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarbij zal worden uitgegaan van
(i) één proceshandeling in hoger beroep (schriftelijke zienswijze na incidenteel hoger beroep) en daarmee dus van één punt en (ii) factor 1,5 wegens het gewicht van de zaak in hoger beroep en (iii) een puntwaarde van € 934. [1] Dat komt neer op een vergoeding van € 1.401 voor het geding voor het Hof voor zover die kosten het incidentele hoger beroep betreffen.
3. Beslissing over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure
3.1
Alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, heeft de Hoge Raad belanghebbende in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken. Het gaat hierbij om gegevens ter voldoening aan de op belanghebbende rustende last om te bewijzen dat zijn geval met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. Belanghebbende heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
3.2
Niet is vast komen te staan dat het geval van belanghebbende met het oog op het vaststellen van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure is aan te merken als een bijzonder geval als hiervoor in 3.1 bedoeld. De Hoge Raad berekent de vergoeding van de proceskosten van deze cassatieprocedure daarom met inachtneming van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm.
3.3
Bij die berekening gaat de Hoge Raad uit van
(i) één proceshandeling (beroepschrift in cassatie) en daarmee dus van 2 punten,
(ii) factor 1,5 wegens het gewicht van de zaak in cassatie,
(iii) de waarde per punt die is neergelegd in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit, en (iv) vermenigvuldiging met de factor 0,10, zoals bedoeld in artikel 30a, lid 2, letter b, van de Wet WOZ, aangezien dit arrest niet inhoudt dat de bestreden besluiten (een WOZ- beschikking en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen) worden vernietigd of gewijzigd.
Dat komt neer op een proceskostenvergoeding van € 281.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar alleen voor zover deze betrekking heeft op de vergoeding van immateriële schade en de proceskosten betreffende het incidentele hoger beroep,
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de vergoeding van immateriële schade,
- draagt het dagelijks bestuur van Cocensus op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 138,
- veroordeelt het dagelijks bestuur van Cocensus in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 281 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de heffingsambtenaar van (thans) de gemeente Dijk en Waard in de kosten van belanghebbende betreffende het incidentele hoger beroep voor het Hof, vastgesteld op € 1.401 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.

Voetnoten

1.Vgl. HR 17 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1203, rechtsoverweging 2.3.