Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
4.Beslissing
20 januari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch over brandstichting aan een partytent in de tuin van buren, waarbij zowel de woning van de buren als die van de verdachte zijn verbrand. De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken, maar in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van 54 maanden.
In cassatie klaagt de verdachte over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, met name over de termijn voor het inzenden van stukken en de totale duur van de cassatieprocedure. De Hoge Raad oordeelt dat de inzendtermijn van acht maanden niet is overschreden omdat de verdachte ten tijde van het instellen van het cassatieberoep niet in voorlopige hechtenis verkeerde. Echter, de totale duur van de cassatieprocedure overschrijdt de redelijke termijn, aangezien meer dan zestien maanden zijn verstreken tussen het instellen van het cassatieberoep en de uitspraak, terwijl de verdachte op het moment van aanzegging van de uitspraak wel in voorlopige hechtenis was.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en vermindert deze van 54 naar 53 maanden. De overige klachten van de verdachte en de benadeelde partijen worden verworpen. De uitspraak benadrukt de verschillende uitgangspunten voor beoordeling van redelijke termijnen in feitelijke instanties versus cassatieprocedures.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 54 naar 53 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.