ECLI:NL:HR:2026:75

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
24/03030
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over brandstichting en redelijke termijn in strafzaak

In deze zaak gaat het om een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarin de verdachte was vrijgesproken van brandstichting. De Hoge Raad behandelt twee belangrijke punten: de redelijke termijn in cassatie en de wettelijke rente voor de benadeelde partij. De verdachte had brand gesticht aan een partytent in de tuin van zijn buren, wat leidde tot schade aan zowel de woning van de buren als zijn eigen woning. In eerste aanleg werd de verdachte vrijgesproken, maar het gerechtshof had de verdachte in voorlopige hechtenis genomen. De Hoge Raad oordeelt dat de redelijke termijn van artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden, omdat de uitspraak meer dan 16 maanden na het instellen van het cassatieberoep werd gedaan. De Hoge Raad vermindert de opgelegde gevangenisstraf van 54 maanden met 1 maand, tot 53 maanden. Daarnaast wordt er een opmerking gemaakt over de wettelijke rente voor de benadeelde partij, waarbij de aanvangsdatum van de rente wordt besproken. De overige cassatiemiddelen worden verworpen, en de Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof enkel wat betreft de duur van de gevangenisstraf.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/03030
Datum20 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 augustus 2024, nummer 20-001886-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2], vertegenwoordigd door [betrokkene 1], heeft de advocaat R. van den Berg bij schrifturen cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De advocaat van de benadeelde partijen heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel van de verdachte en ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
2.2
Onder overschrijding van de redelijke termijn is mede begrepen de overschrijding van de termijn voor het inzenden van de stukken naar de Hoge Raad nadat cassatieberoep is ingesteld. Die inzendtermijn is gesteld op acht maanden. De inzendtermijn wordt op zes maanden gesteld in (onder meer) zaken waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert. (Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rechtsoverweging 3.3.) Voor de vraag of de verdachte in voorlopige hechtenis verkeert, is beslissend de datum waarop het cassatieberoep is ingesteld.
2.3
De verdachte bevond zich ten tijde van het instellen van het cassatieberoep niet in voorlopige hechtenis. Omdat op de dag van inzending van de stukken nog geen acht maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, is het cassatiemiddel tevergeefs voorgesteld.
2.4
Wat betreft de duur van de cassatieprocedure is van belang de datum waarop de aanzegging door de Hoge Raad als bedoeld in artikel 435 van het Wetboek van Strafvordering aan de verdachte is betekend. Op die datum bevond de verdachte zich op grond van de door het hof bevolen gevangenneming wel in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 54 maanden.
2.5
Opmerking verdient dat, vanwege de uiteenlopende aard van de betreffende procedures, voor de beoordeling van de redelijke termijn in feitelijke instantie enigszins andere uitgangspunten gelden dan voor de beoordeling van de redelijke termijn in de cassatieprocedure. De uitgangspunten die van belang zijn met betrekking tot de procedure in feitelijke instantie, zijn uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1775.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen die namens de verdachte en van de cassatiemiddelen die namens de benadeelde partijen zijn voorgesteld
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 53 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 januari 2026.