Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:753

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
25/04105
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 EVRMArt. 3 EVRMArt. 6 EVRMArt. 13 EVRMArt. 14 IVBPR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart uitlevering aan Oekraïne toelaatbaar ondanks dreigende schending fundamentele rechten

De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een persoon van Oekraïense nationaliteit aan Oekraïne wegens verdenking van deelneming aan een criminele organisatie en medeplegen van diefstal met geweld en braak. De rechtbank Rotterdam had de uitlevering ontoelaatbaar verklaard vanwege een dreigende flagrante schending van het recht op leven en het verbod op onmenselijke of vernederende behandeling (artikelen 2 en 3 EVRM), gelet op de oorlogssituatie en de slechte detentieomstandigheden in Oekraïne.

Het openbaar ministerie stelde cassatie in tegen deze beslissing. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel over een dreigende inbreuk op fundamentele rechten als bedoeld in artikel 2 en Pro 3 EVRM exclusief aan de minister van Justitie en Veiligheid toekomt en niet aan de uitleveringsrechter. De rechtbank had het verweer van de verdediging daarom slechts kunnen verwerpen en niet tot ontoelaatbaarverklaring mogen komen.

De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart de uitlevering toelaatbaar. Tegelijkertijd brengt de Hoge Raad een advies uit aan de minister om bij het besluit over uitlevering te betrekken of de naleving van artikel 2 en Pro 3 EVRM voldoende is verzekerd. Indien die garantie niet kan worden gegeven, adviseert de Hoge Raad de minister de uitlevering niet toe te staan.

De uitspraak bevestigt het onderscheid in bevoegdheid tussen de rechter en de minister bij uitleveringsverzoeken en benadrukt het belang van bescherming van fundamentele rechten binnen het uitleveringsproces, met name in het kader van de oorlogssituatie in Oekraïne.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de uitlevering aan Oekraïne toelaatbaar en vernietigt het vonnis van de rechtbank dat de uitlevering had afgewezen wegens dreigende schending van fundamentele rechten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer25/04105 U
Datum12 mei 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 oktober 2025, nummer UTL-I-2025011443, op een verzoek van de republiek Oekraïne tot uitlevering
van
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de opgeëiste persoon.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De raadsvrouw van de opgeëiste persoon, E. Kolokatsi, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigt, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op het verweer betreffende een dreigende schending van artikel 2 of Pro 3 EVRM en de daarop volgende eindbeslissing tot ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering, het verweer betreffende een dreigende schending van artikel 2 en Pro 3 EVRM verwerpt, de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Oekraïne toelaatbaar verklaart ter strafvervolging van de feiten die zijn omschreven in het uitleveringsverzoek en een advies aan de minister uitbrengt over het aan het verzoek tot uitlevering te geven gevolg.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering.
2.2.1
De rechtbank heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Oekraïne ontoelaatbaar verklaard voor strafvervolging voor – kort gezegd – deelneming aan een criminele organisatie en diefstal met geweld en braak door twee of meer verenigde personen.
2.2.2
De uitspraak van de rechtbank houdt onder meer in:
“Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad is in uitleveringszaken – gelet op het systeem van de UW, zoals daarvan blijkt uit de artikelen 8 en 10 en de geschiedenis van de totstandkoming van die wet – het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens
een gegrond vermoedendat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer artikel 3 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) voorbehouden aan de Minister van Veiligheid en Justitie en zal hij bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen.
Dit uitgangspunt kan evenwel uitzondering lijden indien naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek op de zitting voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan:
(a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een
flagranteinbreuk op
enighem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht en tevens
(b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM Pro respectievelijk artikel 2, derde lid aanhef en onder a, Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten ten dienste staat (HR 21 maart 2017, ECLI:NL: HR:2017:463).
(...)
Op de zitting heeft de raadsvrouw (...) betoogd dat als gevolg van de oorlog die in Oekraïne woedt er een dreigende flagrante schending is van het recht op leven van de opgeëiste persoon en dat hem een onmenselijke of vernederende behandeling wacht waardoor de rechten als bedoeld in de artikelen 2 en 3 EVRM worden geschonden. Deze rechten mogen niet worden beperkt in het geval van een noodtoestand. De raadsvrouw heeft er op gewezen dat in heel Oekraïne luchtaanvallen plaatsvinden en dat deze aanvallen de laatste maanden in intensiteit toenemen. Daarbij is in juli 2025 een gevangenis in de regio Zaporizja geraakt waarbij zestien gedetineerden om het leven zouden zijn gekomen en 50 gewond zouden zijn geraakt. Ook in andere delen van het land, die ver verwijderd zijn van de frontlinie, vinden bombardementen plaats waarbij dagelijks doden en gewonden vallen. Een plaatsing in een gevangenis in het westen van Oekraïne, zoals de Oekraïense autoriteiten hebben beloofd, is dus geen vrijwaring van het gevaar dat de bombardementen opleveren. Daarbij komt dat er in de gevangenissen nauwelijks schuilkelders aanwezig zijn. Zo zouden in een deel van de gevangenissen geen schuilkelders zijn en in andere gevangenissen slechts schuilplaatsen waar maar een beperkt aantal gedetineerden in passen. Slechts in 7% van alle 674 rechtbanken (in het niet door Rusland bezette deel van het land) zijn schuilkelders beschikbaar, aldus een door de raadsvrouw aangehaald rapport van de
Ukrainian Parliament Commissioner for Human Rights.
De raadsvrouw heeft vervolgens gewezen op een Deens rapport gedateerd december 2024, getiteld ‘Ukraine Prison conditions, 2024 update’. Dit rapport gaat, voor zover hier van belang, in op de impact van de oorlog op het gehele gevangenissysteem in Oekraïne waardoor detentieomstandigheden in het hele land slechter worden. Er is gebrek aan voedsel, water en andere essentialia, zoals elektra, verwarming, generatoren, warme kleding, bedden, sanitaire benodigdheden en medicijnen. Tenslotte zijn volgens dit rapport maar liefst 5.000 gedetineerden verplaatst uit bezette gebieden in Oost-Oekraïne naar gevangenissen elders in het land, waardoor de overbevolking aldaar verder is toegenomen. Dit laatste wordt, aldus nog steeds de raadsvrouw, bevestigd door
de Ukrainian Parliament Commissioner for Human Rights.
Bovendien, zo begrijpt de rechtbank de raadsvrouw, zijn de misdrijven die de opgeëiste persoon zou hebben gepleegd, beweerdelijk begaan in Dnipropetrovsjk, dat doelwit is van aanvallen door de Russen. Deze stad ligt niet ver van door de Russen bezette gebieden. Dat betekent dat de opgeëiste persoon gevaar loopt als hij van de gevangenis naar de rechtbank wordt gebracht, maar ook als hij in de rechtbank aanwezig is. De raadsvrouw heeft er, als gezegd, op gewezen dat in het gehele land nauwelijks schuilkelders in de rechtbanken zijn. Als de opgeëiste persoon al in de gelegenheid zal worden gesteld om zijn zaak bij te wonen, levert de reis naar en het verblijf in de rechtbank daarom een groot risico op voor zijn lijf en leden.
De raadsvrouw komt daarom tot de conclusie dat de opgeëiste persoon bij uitlevering aan Oekraïne vanwege de oorlog onherroepelijk wordt blootgesteld aan het reële risico op een schending van de artikelen 2 en 3 EVRM. De rechtbank begrijpt dit zo dat de raadsvrouw bepleit om de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren wegens een dreigende flagrante schending van het recht op leven en het recht op vrijwaring van onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van het EVRM.
Dit verweer slaagt. Voldoende staat vast dat de toestand in de gevangenissen in Oekraïne als gevolg van de oorlog van een dusdanige aard is dat ernstig dient te worden gevreesd voor een onmenselijke of vernederende behandeling. De luchtaanvallen die kennelijk (nog) steeds in intensiteit toenemen in combinatie met een gebrek aan middelen, zoals voldoende schuilkelders, om zich daartegen te beschermen doen ernstig vrezen voor het leven van de opgeëiste persoon.
Zoals de raadsvrouw terecht heeft aangehaald is vanwege de oorlog ook de gedwongen terugkeer van vluchtelingen naar Oekraïne niet mogelijk en verricht de Dienst Terugkeer en Vertrek van het Ministerie van Asiel en Migratie geen actieve vertrekhandelingen ten aanzien van deze vluchtelingen. Ten aanzien van Oekraïners geldt de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en het daarbij behorende Uitvoeringsbesluit van de Europese Unie en kan (bij het niet voldoen aan de formele voorwaarden voor verblijf op basis van genoemde Richtlijn) asiel worden aangevraagd. Wanneer van gedwongen terugkeer van vluchtelingen naar Oekraïne vanwege de oorlog geen sprake kan zijn, kan er ook geen sprake zijn van uitlevering aan Oekraïne van een gedetineerde persoon, die voor zijn veiligheid geheel is overgeleverd aan een detentiesysteem waarvan onvoldoende vast staat dat het zijn leven kan garanderen en hem kan vrijwaren van onmenselijke of vernederende behandeling. Dat de rechtbank er op moet vertrouwen dat de Oekraïense autoriteiten zich voor de veiligheid en een menselijke behandeling van de opgeëiste persoon inspannen is geen reden om daarover anders te oordelen. De dreiging komt voornamelijk van buiten en stelt de Oekraïense autoriteiten in dat opzicht voor een zware zo niet onmogelijke opgaaf. Tegen die dreigende flagrante schending valt geen enkel reëel rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM Pro in te brengen.
De rechtbank zal de uitlevering van de opgeëiste persoon dan ook ontoelaatbaar verklaren.”
2.3.1
Uitgangspunt in uitleveringszaken is dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) zal respecteren. Gelet op het systeem van de Uitleveringswet, zoals daarvan blijkt uit artikel 8 en Pro 10, en de geschiedenis van de totstandkoming van die wet, is in uitleveringszaken het oordeel over de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer artikel 3 EVRM Pro voorbehouden aan de minister van Justitie en Veiligheid en zal hij bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen. Als echter komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet verklaren.
2.3.2
Bij een beroep op een inbreuk op de fundamentele rechten die de opgeëiste persoon in artikel 6 EVRM Pro zijn toegekend, geldt het volgende.
A. Als het gaat om een verzoek tot uitlevering voor de tenuitvoerlegging van een rechterlijke veroordeling en wordt aangevoerd dat in de zaak die tot die veroordeling heeft geleid, een flagrante inbreuk is gemaakt op artikel 6 lid 1 EVRM Pro, is het aan de uitleveringsrechter te beslissen over de vraag of enig in die verdragsbepaling gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is geschonden. Dit is niet anders als het gaat om een beroep op een flagrante inbreuk op artikel 14 lid 1 IVBPR Pro. Het gaat hier dus om een beroep op een
voltooideflagrante schending van deze verdragsbepaling(en).
B. (i) Als het gaat om een verzoek tot uitlevering met als doel de strafvervolging en wordt aangevoerd dat in de betreffende strafzaak inbreuk dreigt te worden gemaakt op artikel 6 lid 1 EVRM Pro en/of artikel 14 lid 1 IVBPR Pro, dan is het in de regel niet aan de uitleveringsrechter om te oordelen over de gegrondheid van zo’n beroep op een
dreigendemensenrechtenschending. In zo’n geval moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat deze verdragsbepaling(en) zal eerbiedigen. Zo’n verweer kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering, zij het dat de uitleveringsrechter in het aangevoerde grond kan vinden de minister in zijn advies als bedoeld in artikel 30 UW Pro deelgenoot te maken van zijn opvatting over het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg, waaronder in voorkomende gevallen begrepen het vragen van garanties aan de verzoekende Staat om zo’n dreigende schending te voorkomen.
(ii) Op grond van het vertrouwensbeginsel moet verder worden aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende Staat de opgeëiste persoon in staat stelt om na zijn uitlevering met als doel de strafvervolging een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro en/of artikel 14 lid 1 IVBPR Pro. Daarbij verdient opmerking dat in geval van een uitlevering met als doel de strafvervolging de vraag of inbreuk is gemaakt op het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces, in de regel pas kan worden beantwoord na de uitspraak van de strafrechter in de verzoekende Staat, omdat pas dan kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie. De uitleveringsrechter kan daarom in de regel niet toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer dat sprake is van een reeds
voltooideschending van artikel 6 lid 1 EVRM Pro en/of artikel 14 lid 1 IVBPR Pro.
(iii) Het onder A en B (i) en (ii) bedoelde uitgangspunt dat in de gevallen waarin de uitlevering met als doel de strafvervolging is gevraagd, de uitleveringsrechter in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over een beroep op dreigende en/of voltooide schendingen van artikel 6 lid 1 EVRM Pro en/of artikel 14 lid 1 IVBPR Pro, kan echter uitzondering lijden als naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek op de zitting voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan:
(a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op een recht dat hem toekomt op grond van deze verdragsbepalingen, en ook
(b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM Pro respectievelijk artikel 2 lid Pro 3, aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat.
In zo’n geval staat de op de landen van het Koninkrijk rustende verplichting om de uit voormelde verdragsbepaling(en) voortvloeiende rechten van de opgeëiste persoon te verzekeren in de weg aan de nakoming van de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering. Op grond van de genoemde bevoegdheidstoedeling is het daarom – kort gezegd – de uitleveringsrechter die moet oordelen over een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek op de zitting gedaan beroep op het (dreigende) risico van een flagrante inbreuk op artikel 6 lid 1 EVRM Pro onderscheidenlijk artikel 14 lid 1 IVBPR Pro, maar uitsluitend als ook is aangevoerd dat en waarom de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als hierboven omschreven ten dienste staat.
Daarbij moet worden aangetekend dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6 lid 1 EVRM Pro die moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering met als doel de strafvervolging. In dat verband kan worden gewezen op EHRM 17 januari 2012, nr. 8139/09, (Othman/Verenigd Koninkrijk), overweging 259, waar gevallen zijn opgesomd waarin sprake is van een ‘flagrant denial of justice’.
(Vgl. HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463.)
2.4.1
De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van een dreigende flagrante schending van het recht op leven en het recht op vrijwaring van onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 2 en Pro 3 EVRM en heeft de uitlevering ontoelaatbaar verklaard. Hiermee heeft de rechtbank miskend dat – zoals onder 2.3.1 is vooropgesteld en anders dan het geval kan zijn bij een dreigende flagrante inbreuk op een recht dat de opgeëiste persoon toekomt op grond van artikel 6 lid 1 EVRM Pro en/of artikel 14 lid 1 IVBPR Pro – het oordeel over de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in artikel 2 en Pro 3 EVRM, is voorbehouden aan de minister. De rechtbank had daarom het verweer van de raadsvrouw dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard vanwege die dreigende inbreuk op de fundamentele rechten zoals bedoeld in artikel 2 en Pro 3 EVRM, alleen maar kunnen verwerpen.
2.4.2
Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal de uitspraak van de rechtbank vernietigen en doen wat de rechtbank had moeten doen.
2.5
Nu wat de rechtbank verder heeft geoordeeld over de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering niet in cassatie is bestreden en ook overigens niet is gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die aan die toelaatbaarheid in de weg zouden staan, kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen. De Hoge Raad zal de uitlevering toelaatbaar verklaren. In zijn advies aan de minister zal de Hoge Raad betrekken wat namens de opgeëiste persoon is aangevoerd over een dreigende schending van artikel 2 en Pro/of 3 EVRM door zijn uitlevering.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- verklaart de uitlevering toelaatbaar voor de feiten zoals omschreven in de “mededeling betreffende de wijziging van de verdenking” van 9 september 2024.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 mei 2026.
De Minister van Justitie en Veiligheid
(…)
Betreft: advies inzake uitlevering van [de opgeëiste persoon]
Bij arrest van 12 mei 2026 heeft de Hoge Raad de uitlevering aan Oekraïne met als doel de vervolging van [de opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, toelaatbaar verklaard.
Een gewaarmerkt afschrift van het arrest wordt u hierbij toegezonden.
Bij de behandeling van het uitleveringsverzoek door de rechtbank is door de verdediging betoogd dat de opgeëiste persoon bij inwilliging van het verzoek tot uitlevering zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in artikel 2 en Pro 3 EVRM. De rechtbank heeft geoordeeld dat door de uitlevering ernstig moet worden gevreesd voor een onmenselijke of vernederende behandeling en voor het leven van de opgeëiste persoon. Om de in het arrest van de Hoge Raad uiteengezette redenen, is de beantwoording of een dreigende inbreuk op de genoemde verdragsrechten in de weg staat aan uitlevering, aan de minister voorbehouden. De Hoge Raad geeft u in overweging na te gaan of, in het geval dat het verzoek tot uitlevering wordt ingewilligd dan wel de opgeëiste persoon ter beschikking van de autoriteiten van de verzoekende Staat wordt gesteld, de naleving van artikel 2 en Pro 3 EVRM voldoende is verzekerd. Als die garantie niet genoegzaam kan worden gegeven, adviseert de Hoge Raad u, gelet op de voor Nederland uit artikel 1 EVRM Pro voortvloeiende verplichtingen, de verzochte uitlevering niet toe te staan.
Hoogachtend,
De voorzitter van de Strafkamer
(…)