Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
een gegrond vermoedendat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer artikel 3 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) voorbehouden aan de Minister van Veiligheid en Justitie en zal hij bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen.
flagranteinbreuk op
enighem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht en tevens
Ukrainian Parliament Commissioner for Human Rights.
de Ukrainian Parliament Commissioner for Human Rights.
A. Als het gaat om een verzoek tot uitlevering voor de tenuitvoerlegging van een rechterlijke veroordeling en wordt aangevoerd dat in de zaak die tot die veroordeling heeft geleid, een flagrante inbreuk is gemaakt op artikel 6 lid 1 EVRM Pro, is het aan de uitleveringsrechter te beslissen over de vraag of enig in die verdragsbepaling gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is geschonden. Dit is niet anders als het gaat om een beroep op een flagrante inbreuk op artikel 14 lid 1 IVBPR Pro. Het gaat hier dus om een beroep op een
voltooideflagrante schending van deze verdragsbepaling(en).
B. (i) Als het gaat om een verzoek tot uitlevering met als doel de strafvervolging en wordt aangevoerd dat in de betreffende strafzaak inbreuk dreigt te worden gemaakt op artikel 6 lid 1 EVRM Pro en/of artikel 14 lid 1 IVBPR Pro, dan is het in de regel niet aan de uitleveringsrechter om te oordelen over de gegrondheid van zo’n beroep op een
dreigendemensenrechtenschending. In zo’n geval moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat deze verdragsbepaling(en) zal eerbiedigen. Zo’n verweer kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering, zij het dat de uitleveringsrechter in het aangevoerde grond kan vinden de minister in zijn advies als bedoeld in artikel 30 UW Pro deelgenoot te maken van zijn opvatting over het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg, waaronder in voorkomende gevallen begrepen het vragen van garanties aan de verzoekende Staat om zo’n dreigende schending te voorkomen.
(ii) Op grond van het vertrouwensbeginsel moet verder worden aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende Staat de opgeëiste persoon in staat stelt om na zijn uitlevering met als doel de strafvervolging een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro en/of artikel 14 lid 1 IVBPR Pro. Daarbij verdient opmerking dat in geval van een uitlevering met als doel de strafvervolging de vraag of inbreuk is gemaakt op het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces, in de regel pas kan worden beantwoord na de uitspraak van de strafrechter in de verzoekende Staat, omdat pas dan kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie. De uitleveringsrechter kan daarom in de regel niet toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer dat sprake is van een reeds
voltooideschending van artikel 6 lid 1 EVRM Pro en/of artikel 14 lid 1 IVBPR Pro.
(iii) Het onder A en B (i) en (ii) bedoelde uitgangspunt dat in de gevallen waarin de uitlevering met als doel de strafvervolging is gevraagd, de uitleveringsrechter in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over een beroep op dreigende en/of voltooide schendingen van artikel 6 lid 1 EVRM Pro en/of artikel 14 lid 1 IVBPR Pro, kan echter uitzondering lijden als naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek op de zitting voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan:
(a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op een recht dat hem toekomt op grond van deze verdragsbepalingen, en ook
(b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM Pro respectievelijk artikel 2 lid Pro 3, aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat.
In zo’n geval staat de op de landen van het Koninkrijk rustende verplichting om de uit voormelde verdragsbepaling(en) voortvloeiende rechten van de opgeëiste persoon te verzekeren in de weg aan de nakoming van de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering. Op grond van de genoemde bevoegdheidstoedeling is het daarom – kort gezegd – de uitleveringsrechter die moet oordelen over een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek op de zitting gedaan beroep op het (dreigende) risico van een flagrante inbreuk op artikel 6 lid 1 EVRM Pro onderscheidenlijk artikel 14 lid 1 IVBPR Pro, maar uitsluitend als ook is aangevoerd dat en waarom de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als hierboven omschreven ten dienste staat.
Daarbij moet worden aangetekend dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6 lid 1 EVRM Pro die moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering met als doel de strafvervolging. In dat verband kan worden gewezen op EHRM 17 januari 2012, nr. 8139/09, (Othman/Verenigd Koninkrijk), overweging 259, waar gevallen zijn opgesomd waarin sprake is van een ‘flagrant denial of justice’.
(Vgl. HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463.)
3.Beslissing
12 mei 2026.