Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:773

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
23/03375
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 423 lid 4 SvArt. 350 SvArt. 359 lid 2 SvArt. 359 lid 5 SvArt. 359 lid 6 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt strafoplegging en strafbepaling in hennepteeltzaak en wijst terug naar hof

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor medeplegen van het telen van een grote hoeveelheid hennep en het aanwezig hebben van hennep tot een gevangenisstraf van zes maanden. In hoger beroep werd alleen het telen van hennep inhoudelijk behandeld en veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, terwijl voor het aanwezig hebben van hennep een straf werd bepaald van vijf weken gevangenisstraf. De Hoge Raad toetste de strafbepaling van het hof op grond van artikel 423 lid 4 Sv Pro, dat voorschrijft dat het hof bij gedeeltelijk hoger beroep en vernietiging van de straf de straf voor de niet aan zijn oordeel onderworpen feiten moet bepalen.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof de strafbepaling voor het feit van het aanwezig hebben van hennep niet begrijpelijk had gemotiveerd, mede omdat de rechtbank voor beide feiten gezamenlijk zes maanden gevangenisstraf had opgelegd. De Hoge Raad bevestigde dat het hof bij strafbepaling geen nieuwe omstandigheden mag betrekken die in eerste aanleg niet aan de orde waren geweest, maar wel een andere strafsoort mag toepassen. De motiveringsvereisten voor strafoplegging zijn niet van toepassing op strafbepaling, maar begrijpelijkheid wel.

De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en strafbepaling en verwees de zaak terug naar het hof 's-Hertogenbosch voor een nieuwe berechting en beslissing over deze onderdelen. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 19 mei 2026.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt strafoplegging en strafbepaling en wijst zaak terug naar hof voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/03375
Datum19 mei 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 augustus 2023, nummer 20-001011-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat L. Bien bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging en strafbepaling op grond van artikel 423 lid 4 Sv Pro, en tot terugwijzing van de zaak naar het hof ’s-Hertogenbosch opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de strafbepaling op grond van artikel 423 lid 4 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) door het hof.
2.2.1
De verdachte is in eerste aanleg veroordeeld voor, kort gezegd, medeplegen van opzettelijk telen van een grote hoeveelheid hennep (feit 3) en medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van hennep (feit 5) tot een gevangenisstraf van zes maanden. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Hij heeft het hoger beroep beperkt tot feit 3.
2.2.2
In hoger beroep heeft het hof de verdachte veroordeeld voor feit 3 tot een gevangenisstraf van zes maanden. Het hof heeft voor feit 5 de straf bepaald op een gevangenisstraf van vijf weken. Het arrest van het hof houdt onder meer in:

Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd (...).
(...)
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De advocaat-generaal heeft voor de hennepteelt een gevangenisstraf gevorderd van 6 maanden met aftrek van voorarrest. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat met een taakstraf in combinatie met een langdurige voorwaardelijke gevangenisstraf kan worden volstaan. De verdediging heeft daarbij gewezen op de omstandigheid dat verdachte enkel hennepstekken aanwezig heeft gehad en geen hennep heeft geteeld. Verder heeft de rechtbank onvoldoende rekening gehouden met het tijdsverloop en rechtvaardigen ook de persoonlijke omstandigheden van verdachte – hij heeft nieuwe relatie en begint mogelijk met een beroepsopleiding en heeft geen nieuwe strafbare feiten gepleegd – een andersoortige sanctie.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De rechtbank heeft in het kader van de strafoplegging voor wat betreft de hennepteelt het navolgende overwogen (p. 7 vonnis):
“De verdachte heeft zich samen met zijn broer schuldig gemaakt aan de grootschalige teelt van hennep. In de woning aan de [a-straat] zijn in een kweekruimte 3901 hennepstekken aangetroffen. Daarnaast waren er nog twee andere kweekruimtes aanwezig. De verdachte heeft door het telen van hennep een bijdrage geleverd aan de handel in hennep. Hennep bevat de voor de volksgezondheid schadelijke stof THC en is daarom door de wetgever op de bij de Opiumwet behorende lijst II geplaatst. Het is een feit van algemene bekendheid dat de handel in en het gebruik van verdovende middelen vaak gepaard gaan met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit, waardoor de samenleving schade wordt berokkend. Afgezien van het feit dat hennepteelt verboden is, kan het ook gevaarlijke situaties zoals brandgevaar opleveren. De verdachte heeft de belangen van de maatschappij aan zijn laars gelapt voor zijn eigen financiële gewin.
(...)
De rechtbank heeft voor de straftoemeting gekeken naar de voor soortgelijke strafbare feiten gebruikelijke straffen zoals opgenomen in de oriëntatiepunten voor straftoemeting, gepubliceerd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De oriëntatiepunten zijn niet helemaal passend voor deze zaak. Voor het telen van 500 tot 1000 hennepplanten wordt een taakstraf van 180 uur en 2 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf als uitgangspunt genomen maar het gaat in deze zaak om een veel groter aantal aangetroffen stekken, waarbij stekken voor de strafmaat niet precies gelijk te stellen zijn aan hennepplanten.
(...)
De rechtbank acht strafverzwarend dat de verdachte de feiten in vereniging heeft gepleegd.
Ook is sprake van moederplanten die in de woning aan de [a-straat] zijn geteeld.
Op basis van de inhoud van het dossier heeft de rechtbank de indruk bekomen dat de verdachte en zijn broer, gelet op de omvang van de kwekerijen alsmede de duur van de periode waarin de feiten hebben plaatsgevonden, moeten worden gezien als een belangrijk onderdeel van de georganiseerde hennepteelt.
Uit de documentatie blijkt dat de verdachte in het verleden eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet.”
Het hof heeft geen reden anders te overwegen dan de rechtbank heeft gedaan, neemt deze overwegingen over en maakt deze tot de zijne.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
De rechtbank is – met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn – gekomen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, zonder daarbij echter aan te geven welke gevangenisstraf het voor verdiscontering van de overschrijding van de redelijke termijn tot uitgangspunt heeft genomen. Het hof neemt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden tot uitgangspunt.
Met de rechtbank stelt het hof vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in eerste aanleg is overschreden. Met de rechtbank stelt het hof de aanvang van die termijn op de datum van het eerste verhoor van verdachte op 9 maart 2017. Het vonnis van de rechtbank is van 2 april 2021 waardoor de redelijke termijn die voor deze fase doorgaans op 2 jaren wordt gesteld, met meer dan twee jaar is overschreden.
In de fase van het hoger beroep is de redelijke termijn aangevangen op 16 april 2021 zijnde de datum waarop door verdachte hoger beroep is ingesteld. De termijn is geëindigd met het arrest van dit hof van 17 augustus 2023. Daarmee is de redelijke termijn die voor deze fase doorgaans eveneens op twee jaren wordt gesteld met vier maanden overschreden.
Het hof ziet in vorenstaande overschrijding van de redelijke termijn aanleiding om in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden op te leggen.
Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen aanleiding een andersoortige straf op te leggen. Verder is het hof gekomen tot een bewezenverklaring van hennepteelt en niet enkel het aanwezig hebben van hennep, zodat ook hierin voor het hof geen aanleiding is gelegen de verdediging te volgen in de voorgestelde strafmodaliteit.
Strafbepaling op de voet van artikel 423 lid 4 Wetboek Pro van Strafvordering
Gelet op het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof een straf bepalen ten aanzien van het niet inhoudelijk aan zijn oordeel onderworpen door de rechtbank bewezenverklaarde feit 5 (het aanwezig hebben van 747 gram hennep). Voor dat feit bepaalt het hof als uitgangspunt een gevangenisstraf van 6 weken maar zal het gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, deze straf bepalen op een gevangenisstraf van 5 weken. Het hof ziet geen reden – zoals door de advocaat-generaal is gevorderd – om toepassing te geven aan artikel 9a Sr en aan verdachte geen straf of maatregel op te leggen.”
2.3
Artikel 423 lid 4 Sv Pro luidt:
“Indien bij samenloop van meerdere feiten ééne hoofdstraf is uitgesproken en het hooger beroep slechts ingesteld is ten aanzien van een of meer dier feiten, wordt, in geval van vernietiging ten aanzien van de straf, bij het arrest de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald.”
2.4.1
Als bij samenloop van feiten door de rechtbank één hoofdstraf is uitgesproken en het hoger beroep niet is gericht tegen het vonnis als geheel, maar slechts tegen de beslissing van de rechtbank over een of meer van die feiten, moet het hof – in geval van vernietiging ten aanzien van de sanctieoplegging – op grond van artikel 423 lid 4 Sv Pro voor de niet aan zijn oordeel onderworpen feiten de sanctie ‘bepalen’. Dit betekent dat het hof moet bepalen welk gedeelte van de hoofdstraf en/of bijkomende straf(fen) en/of maatregel(en) geacht moet(en) worden door de eerste rechter te zijn opgelegd voor het feit dat, of de feiten die, niet aan het oordeel van het hof is/zijn onderworpen. Het staat het hof niet vrij daarbij omstandigheden te betrekken die in eerste aanleg niet aan de orde zijn geweest. (Vgl. HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3202.) Het staat het hof wel vrij bij de toepassing van artikel 423 lid 4 Sv Pro een andere strafsoort toe te passen dan waartoe de verdachte in eerste aanleg is veroordeeld (vgl. HR 4 december 1962, ECLI:NL:HR:1962:125).
2.4.2
Bij het ‘bepalen van de straf’ op grond van artikel 423 lid 4 Sv Pro gaat het niet om ‘de oplegging van een straf of maatregel’ in de zin van artikel 350 Sv Pro. De motiveringsvoorschriften van artikel 359 lid Pro 2, 5 en 6 Sv zijn op het ‘bepalen van de straf’ daarom niet van toepassing (vgl. HR 9 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5734). In cassatie kan de ‘strafbepaling’ wel op begrijpelijkheid worden getoetst. Bij die toetsing kan betekenis toekomen aan wat de verdediging en het openbaar ministerie bij het onderzoek op de terechtzitting over de ‘strafbepaling’ hebben aangevoerd.
2.5.1
Het hof heeft – onder het hoofd “Op te leggen sanctie” – de oplegging van de gevangenisstraf van zes maanden voor feit 3 gemotiveerd. Daartoe heeft het onder meer overwogen dat de rechtbank “voor wat betreft de hennepteelt” is gekomen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. Daarnaast heeft het hof – onder het hoofd “Strafbepaling op de voet van artikel 423 lid 4 Wetboek Pro van Strafvordering” – voor feit 5 de straf bepaald op vijf weken gevangenisstraf. Die ‘strafbepaling’ is niet begrijpelijk. Daarbij is van belang dat de rechtbank voor feit 3 en voor feit 5 gezamenlijk een gevangenisstraf van zes maanden heeft opgelegd.
2.5.2
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en de bepaling van de straf op grond van artikel 423 lid 4 Sv Pro;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 mei 2026.