Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
Vonnis waarvan beroep
3.Beslissing
19 mei 2026.
Hoge Raad
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor medeplegen van het telen van een grote hoeveelheid hennep en het aanwezig hebben van hennep tot een gevangenisstraf van zes maanden. In hoger beroep beperkte de verdachte zijn verweer tot het telen van hennep (feit 3). Het hof veroordeelde hem voor dit feit tot zes maanden gevangenisstraf en bepaalde voor het bezit van hennep (feit 5) een straf van vijf weken.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof bij samenloop van feiten en gedeeltelijk hoger beroep op grond van artikel 423 lid 4 Sv Pro de straf voor het niet aan zijn oordeel onderworpen feit moet bepalen, maar daarbij geen nieuwe omstandigheden mag betrekken. Het hof mag wel een andere strafsoort toepassen dan de rechtbank. De motiveringsvereisten voor strafoplegging zijn echter niet van toepassing op strafbepaling, maar begrijpelijkheid wel.
De Hoge Raad stelt vast dat de strafbepaling van het hof voor feit 5 onbegrijpelijk is, omdat de rechtbank voor beide feiten samen zes maanden gevangenisstraf oplegde, terwijl het hof vijf weken bepaalde zonder duidelijke motivering. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en strafbepaling en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting op dat punt.
De overige onderdelen van het beroep worden verworpen. De Hoge Raad bevestigt daarmee het belang van een begrijpelijke en juiste strafbepaling bij samenloop van feiten en gedeeltelijk hoger beroep.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens onbegrijpelijke strafbepaling en wijst de zaak terug voor hernieuwde strafoplegging.