ECLI:NL:HR:2026:804

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
24/02642
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Eerste Protocol EVRMArt. 14 EVRMArt. 26 IVBPRWet maatregelen woningmarkt 2014 IIWet op de rechterlijke organisatie, Art. 81 lid 1
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid verhuurderheffing ondanks geschil over inkomensafhankelijke huurverhoging

Belanghebbende, een verhuurder, had voor de jaren 2019 tot en met 2021 verhuurderheffing voldaan en maakte bezwaar tegen deze heffing met het standpunt dat deze onrechtmatig is, mede vanwege de koppeling met de inkomensafhankelijke huurverhoging (IAH). Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat er geen formeel verband bestaat tussen de IAH en de verhuurderheffing en verwierp de bezwaren.

Belanghebbende stelde in cassatie onder meer dat de IAH een bestaansvoorwaarde is voor de verhuurderheffing en dat de heffing discriminerend is voor mede-eigenaren van sociale huurwoningen. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof dat de wetgever geen formeel of financieel verband heeft beoogd tussen de IAH en de verhuurderheffing en dat de motie Essers dit niet heeft veranderd.

Verder oordeelde de Hoge Raad dat de ongelijke behandeling van volle eigenaren en mede-eigenaren in 2019 voortvloeit uit een eerder arrest en dat de wetgever binnen een redelijke termijn het gebrek met de reparatiewet van 2020 heeft hersteld. De overige klachten werden eveneens verworpen. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de verhuurderheffing zonder formeel verband met de inkomensafhankelijke huurverhoging.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/02642
Datum26 juni 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 mei 2024, nrs. BK-ARN 22/2044 tot en met 22/2046, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 21/1288, AWB 21/1289 en AWB 22/604) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan verhuurderheffing. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door Z.H. van Dorth tot Medler, advocaat te Rotterdam, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
1.2
Namens partijen is deze zaak, tezamen met 55 andere, samenhangende zaken, mondeling toegelicht, voor belanghebbende door Z.H. van Dorth tot Medler, voor de Staatssecretaris door M.E.A. Möhring, advocaat te Den Haag.
1.3
Op 28 februari 2025 heeft de Advocaat-Generaal P.J. Wattel geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [1] Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
Belanghebbende heeft voor de jaren 2019, 2020, en 2021 op aangifte verhuurderheffing voldaan. Zij heeft vervolgens tegen die voldoening bezwaar gemaakt en daarbij het standpunt ingenomen dat de verhuurderheffing onrechtmatig is, althans niet is verschuldigd. Het bezwaar is ongegrond verklaard; het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep eveneens.
2.2
De zaak van belanghebbende maakt deel uit van een cluster van in totaal 56 zaken van evenzoveel belastingplichtigen voor de verhuurderheffing. De 56 zaken zijn bij de Rechtbank en bij het Hof tegelijk behandeld, maar de zaken zijn niet gevoegd.
2.3
De klachten die in elk van de 56 zaken worden aangevoerd, zijn identiek en van rechtskundige aard.

3.De oordelen van het Hof

3.1
Voor het Hof was in geschil of belanghebbende voor de onderhavige jaren terecht op aangifte verhuurderheffing heeft voldaan.
3.2.1
De eerste twee gronden van het hoger beroep hanteren als uitgangspunt dat de inkomensafhankelijke huurverhoging [2] (hierna: IAH) een ‘bestaansvoorwaarde’ voor de verhuurderheffing vormt, in die zin dat (de opbrengsten uit) de IAH en (de lasten van) de verhuurderheffing aan elkaar zijn gekoppeld. Daarvan uitgaande spitste het geschil zich onder meer toe op de vragen (i) of de IAH buiten toepassing moet worden gelaten omdat zij resulteert in ongeoorloofde staatssteun dan wel in een ongelijke behandeling van verhuurders, en, zo ja, (ii) of als gevolg van vorenbedoelde koppeling de verhuurderheffing op regelniveau in strijd komt met het vereiste van een ‘fair balance’ van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol (hierna: EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en daarom niet rechtmatig is.
3.2.2
Omdat de hiervoor in 3.2.1 vermelde gronden falen indien de door belanghebbende gestelde koppeling tussen de IAH en de verhuurderheffing niet aanwezig is, heeft het Hof eerst beoordeeld of zo’n koppeling bestaat.
Het Hof heeft daarbij vooropgesteld dat de primaire doelstelling van de verhuurderheffing is gelegen in het genereren van inkomsten. In de parlementaire geschiedenis van de Wet verhuurderheffing (hierna: de Wvh), de voorganger van de in de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (hierna: de Wmw II) opgenomen verhuurderheffing, is onder meer vermeld dat de verhuurderheffing een belangrijk element vormt van het geheel van de maatregelen dat als doel heeft voor zowel het koop- als het huursegment de woningmarkt beter te laten functioneren, aldus het Hof. Voorts is vermeld dat het rijksbeleid ertoe heeft geleid dat er een marktsegment voor betaalbare huurwoningen is ontstaan dat een hoge mate van stabiliteit en gewaarborgde inkomsten kent voor verhuurders, en dat door de overheid een markt van gereguleerde woningen met betaalbare huur is gecreëerd door middel van objectsubsidies gericht op de bouw van sociale huurwoningen. Tegen deze achtergrond heeft het kabinet het redelijk geacht dat alle verhuurders die op de gereguleerde markt actief zijn en een belang hebben bij stabiliteit en gewaarborgde inkomsten, door middel van deze heffing een bijdrage leveren aan de uitgaven van het Rijk, aldus het Hof, onder verwijzing naar Kamerstukken II 2012/13, 33 407, nr. 3, blz. 2-3. Het voorgaande is volgens het Hof, onder verwijzing naar Kamerstukken II 2013/14, 33 756, nr. 3, blz. 6-8, eveneens vermeld in de parlementaire geschiedenis van de verhuurderheffing vanaf 2014, de Wmw II.
3.2.3
Uit Kamerstukken I 2012/13, 33 405, C, blz. 30, Kamerstukken I 2012/13, 33 405, E, blz. 11, en Kamerstukken I 2012/13, 33 515, B. blz. 3, moet naar het oordeel van het Hof worden geconcludeerd dat de aanvaarding van de wetgeving inzake de IAH geen voorwaarde was voor de invoering van de verhuurderheffing, en dat de wetgever geen formeel verband tussen een eventuele (inkomensafhankelijke) huurverhoging en de verhuurderheffing heeft beoogd. Tevens kan naar het oordeel van het Hof uit de parlementaire geschiedenis bij het wetsvoorstel Wet maatregelen woningmarkt 2014 (hierna: Wmw I) worden afgeleid dat de wetgever het niet noodzakelijk achtte dat de verhuurderheffing (volledig) uit de huurverhogingen wordt gefinancierd.
3.2.4
Volgens het Hof heeft belanghebbende uit het aannemen van de zogenoemde motie Essers [3] (hierna: de motie Essers) ten onrechte afgeleid dat de wetgever het noodzakelijk achtte te borgen dat bij de invoering van de verhuurderheffing vanaf 2014 de beoogde opbrengst daarvan en de (extra) inkomsten die verhuurders uit de IAH zouden ontvangen, geen afbreuk zouden doen aan de volkshuisvestelijke opgaven van de verhuurders en de betaalbaarheid van de huren.
Naar het oordeel van het Hof kan uit het enkele aannemen van die motie niet worden afgeleid dat de wetgever de verhuurderheffing niet mogelijk en niet verantwoord achtte indien de verhuurders geen inkomsten uit de IAH hadden. Uit de door het Hof genoemde, hiervoor in 3.2.3 vermelde wetsgeschiedenis volgt volgens het Hof dat de IAH, ook na de motie Essers, geen voorwaarde was voor de invoering van de verhuurderheffing en dat de wetgever geen formeel verband tussen een eventuele huurverhoging en de verhuurderheffing heeft beoogd. Dat de wetgever daarvan is teruggekomen, volgt niet uit de parlementaire geschiedenis, ook niet uit Kamerstukken II 2012/13, 32 847, nr. 42, aldus het Hof.
3.2.5
Op basis van zijn hiervoor in 3.2.2 tot en met 3.2.4 weergegeven overwegingen is het Hof tot de conclusie gekomen dat de invoering van de IAH geen bestaansvoorwaarde was voor de verhuurderheffing en dat hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, niet tot een andere conclusie leidt. Reeds hierom heeft het Hof de hiervoor in 3.2.1 weergegeven gronden verworpen.
3.3.1
Voor dat geval heeft belanghebbende voor het Hof subsidiair het standpunt ingenomen dat de verhuurderheffing net als de vermogensrendementsheffing in de inkomstenbelasting (box 3) het karakter van een ‘gemiddeldebelasting' heeft die systematisch onverenigbaar is met het discriminatieverbod en het eigendomsgrondrecht en uitgaat van verkeerde aannames. Bij de vermogensrendementsheffing gaat het over het veronderstelde rendement op beleggingen en bij de verhuurderheffing om het veronderstelde aantal 'scheefwoners'; hierdoor is sprake van systematische overbelasting, veroorzaakt door een factor waarop de verhuurders geen enkele invloed hebben.
3.3.2
Het Hof heeft dit subsidiaire standpunt van belanghebbende verworpen. Naar het oordeel van het Hof gaat de vergelijking van de verhuurderheffing met de box 3-heffing mank, reeds omdat de verhuurderheffing, anders dan de box 3-heffing, niet aansluit bij het inkomen van de verhuurder.
3.4.1
Als derde grond heeft belanghebbende voor het Hof aangevoerd dat voor het jaar 2019 de verhuurderheffing discriminerend is omdat die heffing in 2019 niet wordt geheven van verhuurders die sociale huurwoningen in mede-eigendom bezitten, maar wel van verhuurders die sociale huurwoningen in volle eigendom bezitten.
3.4.2
Voor zover, aldus het Hof, volle eigenaren en mede-eigenaren voor de toepassing van het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel als gelijke gevallen moeten worden beschouwd, heeft het Hof als volgt overwogen.
3.4.3
Bij de Wet van 8 juli 2020 tot wijziging van de Wmw II (reparatie verhuurderheffing bij gedeeld genot huurwoningen) is met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2020 voorzien in herstel van het door de Hoge Raad in het arrest van 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:846 (hierna: het arrest van 8 juni 2018) geconstateerde gebrek. Naar het oordeel van het Hof heeft de wetgever voldoende voortvarendheid betracht bij de invoering van de Wet van 8 juli 2020 tot wijziging van de Wmw II. De wetgever moet volgens het Hof enige tijd worden gegund om aan een geconstateerd gebrek een einde te maken. Zo gaat aan een wetswijziging in het algemeen eerst een fase van politieke afweging en besluitvorming vooraf, in dit geval over de verschillende mogelijkheden om de geconstateerde schending van het verbod op discriminatie op te heffen. Vervolgens dient het gehele wetgevingstraject te worden doorlopen. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd aan omstandigheden, leidt niet tot de conclusie dat de wetgever (evident) te lang heeft gewacht, in die zin dat daardoor het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel is geschonden, aldus het Hof. Gelet op onderdelen 8.6 en 8.7 van de conclusie van de Advocaat-Generaal van 26 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:467, heeft het betoog van belanghebbende dat de reparatiewet als spoedwet had kunnen worden behandeld en dat aan die spoedwet terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2019 had kunnen worden verleend, het Hof niet tot een ander oordeel geleid.

4.Beoordeling van de middelen

4.1.1
Middelen I tot en met V bestrijden de hiervoor in 3.2.2 tot en met 3.2.5 weergegeven oordelen van het Hof. De middelen betogen daartoe (onder meer) dat het Hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd ter zake van de door de wetgever beoogde samenhang tussen de verhuurderheffing en de IAH, en daarbij ten onrechte is uitgegaan van de parlementaire geschiedenis van de Wvh, welke geschiedenis is achterhaald door de motie Essers. Volgens deze middelen heeft het Hof daarom ten onrechte geoordeeld dat er geen formeel verband is tussen de verhuurderheffing en de IAH, en heeft het miskend dat (de invoering van) de IAH wél een bestaansvoorwaarde was voor (de invoering van) de Wmw II. Daarnaast betogen de middelen dat de verhuurderheffing is bedoeld om de IAH af te romen.
Ook betogen de middelen dathet Hof hoe dan ook een oordeel had moeten geven over de hiervoor in 3.2.1 onder (i) omschreven vraag of de IAH buiten toepassing moet worden gelaten omdat zij verboden staatssteun vormt dan wel in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Het buiten toepassing laten van de IAH brengt volgens de middelen mee dat ook de verhuurderheffing buiten toepassing moet blijven.
4.1.2
De memorie van toelichting bij het voorstel tot invoering van de Wvh vermeldt dat de primaire doelstelling van de verhuurderheffing het realiseren van een budgettaire opbrengst is en dat het tarief werd afgeleid uit de gewenste opbrengst. [4] Ter rechtvaardiging van de heffing wordt in de memorie van toelichting genoemd (i) dat de verhuurderheffing een belangrijk element vormt van het geheel van de maatregelen dat als doel heeft de woningmarkt beter te laten functioneren voor zowel het koop- als het huursegment, (ii) dat een belasting op onroerende zaken het minst verstorende effect heeft op het bruto binnenlands product per capita in vergelijking tot andere heffingen, (iii) dat de verruimingen van het huurbeleid (de invoering van de IAH, die ‘scheefwonen’ in het gereguleerde huursegment tegengaat door middel van extra huurverhogingen voor huishoudens met hogere en middeninkomens) gepaard gaan met een verhoging van de verdiencapaciteit van verhuurders, en (iv) dat verhuurders in het gereguleerde huursegment profiteren van de naar aanleiding van het rijksbeleid (regulering van de sociale huursector met onder meer de huurtoeslag en objectsubsidies) ontstane stabiliteit en gewaarborgde inkomsten. [5] Uit de hier bedoelde passages uit de memorie van toelichting kan niet worden afgeleid dat de wetgever (de invoering van) de verhuurderheffing afhankelijk heeft willen stellen van (de invoering van) de IAH, en evenmin dat hij de hoogte van de verhuurderheffing heeft gerelateerd aan de verwachte opbrengst van de IAH of anderszins een formeel verband heeft willen leggen tussen de wetgeving inzake de IAH en die inzake de Wvh en inzake de Wmw I en de Wmw II.
4.1.3
Uit de verdere totstandkomingsgeschiedenis van de Wvh, en van de Wmw I en de Wmw II, weergegeven in de uitspraak van het Hof en in de conclusie van de Advocaat-Generaal – in het bijzonder de in de onderdelen 5.12, 5.16, 5.25 en 5.29 daarvan geciteerde passages – volgt evenmin dat de wetgever heeft beoogd een formeel of financieel verband te leggen tussen de verhuurderheffing vanaf het jaar 2014 en de IAH, toentertijd nog de wetsvoorstellen huurverhoging op grond van inkomen [6] en huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens [7] .
4.1.4
Blijkens die totstandkomingsgeschiedenis werd het door de wetgever ook niet noodzakelijk geacht dat de verhuurderheffing (volledig) uit de IAH zou worden gefinancierd; volgens de wetgever hebben verhuurders ook andere mogelijkheden om de heffing in te vullen, zoals efficiëntieverbeteringen, verkoop van woningen, aanpassing van het investeringsprogramma en de reguliere huurverhoging. De omstandigheden dat deze maatregelen deel uitmaken van een totaalpakket voor de gereguleerde woningmarkt dat door de wetgever als evenwichtig werd aangemerkt, en dat het wetgevingstraject van deze maatregelen in tijd samenliep, betekenen evenmin dat de verhuurderheffing slechts was bedoeld om de meeropbrengsten als gevolg van de invoering van de IAH af te romen, of dat de IAH slechts diende om de verhuurderheffing te financieren.
4.1.5
Tot slot blijkt uit de in onderdeel 5.22 van de conclusie van de Advocaat-Generaal geciteerde passage uit de memorie van toelichting bij de Wmw I [8] dat de vormgeving, de achtergrond, de reikwijdte en de grondslag van dat wetsvoorstel voortbouwen op de Wvh, en dat een groot aantal bepalingen uit de Wvh in dat wetsvoorstel is overgenomen. Hieruit volgt dat de totstandkomingsgeschiedenis van de Wvh ook relevant is voor de Wmw I en de Wmw II, behoudens waar de ‘eigen’ parlementaire behandeling van de Wmw I en de Wmw II daarvan afwijkt. Aangezien de motie Essers dateert van vóór de wetsvoorstellen Wmw I en Wmw II, kan deze motie niet afdoen aan wat de wetgever in het kader van die wetsvoorstellen heeft opgemerkt over de relevantie van de parlementaire geschiedenis van de Wvh van vóór die motie. Voor zover de middelen betogen dat het Hof ten onrechte is uitgegaan van die parlementaire geschiedenis omdat deze door de motie Essers is achterhaald, falen zij daarom.
4.1.6
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.1.2 tot en met 4.1.5 is overwogen, falen middelen I tot en met V voor zover zij betogen dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat er niet een formeel of financieel verband is tussen de verhuurderheffing en de IAH, in de zin dat (de invoering van) de IAH een bestaansvoorwaarde was voor (de invoering van) de Wmw II.
4.1.7
Voor zover middel I erover klaagt dat het Hof ten onrechte niet heeft beoordeeld of de IAH verboden staatssteun vormt dan wel in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, faalt het. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4.1.8
De overige klachten van middelen I tot en met V behoeven geen behandeling.
4.2
Middel VI bestrijdt onder meer het hiervoor in 3.3.2 weergegeven oordeel van het Hof.
Voor zover het middel betoogt dat het Hof heeft miskend dat de verhuurderheffing de doelstelling heeft om inkomsten uit de IAH af te romen en dat deze heffing, net zoals de aanvankelijke box 3-heffing, op regelniveau in strijd komt met artikel 1 EP Pro omdat de verhuurderheffing ten onrechte niet aansluit bij de door verhuurders gegenereerde feitelijke IAH-inkomsten, faalt het op de gronden vermeld in de onderdelen 7.7, 7.8 en 7.10 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
4.3.1
Middelen VII, VIII en IX bestrijden de hiervoor in 3.4.3 weergegeven oordelen van het Hof. De middelen betogen onder meer dat in 2019 het gelijkheidsbeginsel is geschonden omdat de verhuurderheffing in dat jaar niet wordt geheven van verhuurders die sociale huurwoningen in mede-eigendom bezitten, maar wel van verhuurders die sociale huurwoningen in volle eigendom bezitten. Voor deze ongelijke behandeling bestaat volgens middelen VII, VIII en IX geen objectieve of redelijke rechtvaardiging omdat de wetgever, door geen prioriteit te geven aan het wetsvoorstel tot wijziging van de Wmw II, onredelijk lang heeft gedaan over het herstel van het door de Hoge Raad in het arrest van 8 juni 2018 geconstateerde gebrek. De middelen reageren in dit verband ook op de conclusie van de Advocaat-Generaal van 26 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:467.
4.3.2
Bij de beoordeling van deze middelen stelt de Hoge Raad voorop dat in het kader van de toetsing aan artikel 26 van Pro het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) en artikel 14 EVRM Pro het doel van de verhuurderheffing is om eigenaren van huurwoningen in de gereguleerde sector te belasten naar rato van de waarde van de door hen gehouden eigendom van de desbetreffende woning. Gelet hierop zijn volle eigenaren en mede-eigenaren voor de verhuurderheffing rechtens en feitelijk gelijke gevallen. Voor het jaar 2019 is dus sprake van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen.
4.3.3
De hiervoor in 4.3.2 bedoelde ongelijke behandeling is het gevolg van de reactie van de Belastingdienst op het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018, waarin is geoordeeld dat binnen de groep van mede-eigenaren een niet met de doelstellingen van de verhuurderheffing strokende en ook overigens niet-gerechtvaardigde ongelijke behandeling plaatsvond. Blijkens dat arrest zag de Hoge Raad geen grond zelf een rechtsregel te formuleren om in het door de discriminerende regeling binnen de groep mede-eigenaren veroorzaakte rechtstekort te voorzien, maar liet hij het over aan de wetgever om het geconstateerde gebrek in de regeling van de verhuurderheffing van mede-eigenaren op te heffen. De Hoge Raad zag in de willekeurige aanwijzing van de mede-eigenaar als belastingplichtige in die zaak wel aanleiding de verhuurderheffing ten aanzien van die mede-eigenaar buiten toepassing te laten. [9] Kennelijk heeft de Belastingdienst deze benadering voor het jaar 2019 gevolgd door ten aanzien van alle mede-eigenaren de verhuurderheffing voor dat jaar buiten toepassing te laten. [10] De daaruit resulterende ongelijke behandeling vloeit aldus voort uit het arrest van 8 juni 2018.
4.3.4
De vraag die moet worden beantwoord is of voor die ongelijke behandeling in 2019 een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat.
De keuze om ten aanzien van alle mede-eigenaren de verhuurderheffing buiten toepassing te laten, is kennelijk ingegeven door de gedachte dat dit tijdelijk zou zijn, totdat nieuwe wetgeving – waarin het rechtstekort zou zijn opgeheven – van kracht zou zijn. Aldus werd de bestaande willekeurige en daarmee onrechtmatige heffingsverdeling tussen mede-eigenaren onderling voor het jaar 2019 de facto opgeheven, met als onvermijdelijk gevolg dat mede-eigenaren ten opzichte van volle eigenaren werden begunstigd. Deze tijdelijke ongelijke behandeling van volle en mede-eigenaren moet, in aanmerking nemend dat de (rechts)positie van volle eigenaren – die niet onrechtmatig werden behandeld – niet werd beïnvloed, voor het jaar 2019 gerechtvaardigd worden geacht indien de wetgever binnen een redelijke termijn een nieuwe regeling met een rechtmatige heffingsverdeling tussen mede-eigenaren in het leven roept.
4.3.5
Bij de invoering van de Wet van 8 juli 2020 tot wijziging van de Wmw II (reparatie verhuurderheffing bij gedeeld genot huurwoningen) [11] heeft de wetgever voldoende voortvarendheid betracht. Het hier relevante wetsvoorstel [12] is in oktober 2019 aangekondigd en op 6 maart 2020 ingediend; de Wet van 8 juli 2020 is op 1 juli 2020 in werking getreden en werkt terug tot en met 1 januari 2020. Aldus heeft de wetgever het door de Hoge Raad geconstateerde gebrek in de Wmw II binnen een redelijke termijn hersteld. Van een schending van artikel 26 IVBPR Pro, artikel 14 EVRM Pro en/of het discriminatieverbod als algemeen rechtsbeginsel is daarom geen sprake. Middelen VII, VIII en IX falen in zoverre.
4.4
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten van middel VI en van middelen VII, VIII en IX, alsmede de klachten van middel X, die gaan over de invoering van de verhoogde heffingsvrije voet van vijftig woningen, beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

5.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, E.F. Faase, P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.

Voetnoten

2.Ingevoerd bij Wet van 14 maart 2013, Stb. 2013, 89 (huurverhoging op grond van inkomen) en Wet van 14 maart 2013, Stb. 2013, 90 (huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens).
3.Kamerstukken I 2012/13, 33 407, nr. F (Motie van het lid Essers c.s.); zie onderdeel 5.13 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
4.Kamerstukken II 2012/13, 33 407, nr. 3, blz. 1 en 3-4.
5.Kamerstukken II 2012/13, 33 407, nr. 3, blz. 2-3.
6.Voorstel van wet tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (huurverhoging op grond van inkomen), Kamerstukken II 2011/2012, 33 129, nr. 2.
7.Voorstel van wet tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (huurverhoging op grond van de tweede categorie huishoudens), Kamerstukken II 2011/2012, 33 330, nr. 2.
8.Kamerstukken II 2013/14, 33 756, nr. 3, blz. 5-6.
9.Vgl. HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:846, rechtsoverweging 2.5.3.
10.Zie onderdeel 2.3 van de conclusie van de Advocaat-Generaal van 26 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:467.
11.Wet van 8 juli 2020 tot wijziging van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (reparatie verhuurderheffing bij gedeeld genot huurwoningen), Stb. 2020, 243.
12.Kamerstukken II 2019/20, 35 409, nr. 2.