Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
Betrokkene:
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
29 mei 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de officier van justitie een zorgmachtiging van twaalf maanden gevraagd ten aanzien van betrokkene. Tijdens de zitting gaf betrokkene aan niet langer door zijn advocaat bijgestaan te willen worden en zelf zijn verdediging te voeren. De rechtbank stelde vast dat betrokkene zijn wil tot afstand van de advocaat in vrijheid had bepaald en verleende de zorgmachtiging zonder te onderzoeken of betrokkene een andere advocaat wenste.
De Hoge Raad oordeelt dat op grond van art. 1:7 Wvggz Pro en de kwetsbare positie van betrokkene de rechter verplicht is te onderzoeken of betrokkene een andere advocaat wenst wanneer hij afstand doet van zijn huidige advocaat. Dit onderzoek moet blijken uit de beschikking. De Hoge Raad stelt vast dat de rechtbank dit onderzoek niet heeft verricht en dat het oordeel dat betrokkene elke advocaatbijstand weigert onbegrijpelijk is gezien de verklaringen van betrokkene.
De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking van de rechtbank Gelderland en wijst het geding terug voor verdere behandeling en beslissing. De zaak benadrukt het belang van zorgvuldige toetsing van afstand van rechtsbijstand bij kwetsbare personen in zorgmachtigingsprocedures.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug wegens onvoldoende onderzoek naar de wens tot een andere advocaat.