Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:807

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
25/02207
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:7 WvggzArt. 44 SvArt. 5 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beschikking zorgmachtiging wegens onvoldoende onderzoek naar wens tot andere advocaat

In deze zaak heeft de officier van justitie een zorgmachtiging van twaalf maanden gevraagd ten aanzien van betrokkene. Tijdens de zitting gaf betrokkene aan niet langer door zijn advocaat bijgestaan te willen worden en zelf zijn verdediging te willen voeren. De rechtbank wees betrokkene erop dat zijn advocaat kennis van zaken had en vroeg herhaaldelijk of hij toch niet bijstand wilde, maar betrokkene bleef bij zijn weigering. De rechtbank stelde vast dat betrokkene zijn wil tot afstand van de advocaat in vrijheid had kunnen bepalen en verleende de zorgmachtiging.

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank bij een verzoek tot zorgmachtiging, waarbij betrokkene afstand doet van zijn advocaat, ook moet onderzoeken of betrokkene een andere advocaat wenst. Dit volgt uit een samenhangende uitleg van art. 1:7 Wvggz Pro en art. 44 Sv Pro, mede gelet op de kwetsbare positie van betrokkene. Uit de beschikking en het proces-verbaal blijkt niet dat de rechtbank dit onderzoek heeft verricht.

De Hoge Raad stelt dat afstand van het recht op rechtsbijstand alleen kan worden aangenomen als betrokkene zijn wil daartoe in vrijheid heeft kunnen bepalen, die wil ondubbelzinnig is vastgesteld en het doen van afstand in verhouding staat tot het belang van het recht dat wordt prijsgegeven. De rechtbank heeft dit onvoldoende gemotiveerd en onderzocht.

Daarom vernietigt de Hoge Raad de beschikking van 17 maart 2025 en wijst het geding terug naar de rechtbank Gelderland voor verdere behandeling en beslissing. De overige klachten behoeven geen behandeling.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst het geding terug wegens onvoldoende onderzoek naar de wens tot een andere advocaat.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/02207
Datum29 mei 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: R.P. Streng,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT OOST-NEDERLAND,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/05/448564 / FZ RK 25-550 van de rechtbank Gelderland van 17 maart 2025.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 17 maart 2025 en tot terugwijzing.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In deze zaak heeft de officier van justitie verzocht een zorgmachtiging te verlenen ten aanzien van betrokkene voor de duur van twaalf maanden.
2.2
Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling vermeldt onder meer het volgende:

Betrokkene:
U vraagt mijn advocaat of zij nog vragen heeft. Ik wil zelf mijn verdediging voeren. U geeft mij aan dat mijn advocaat kennis van zaken heeft en de wet kent. (…)
U wijst mij erop dat deze advocaat mij eerder bijstond en verstand van zaken heeft. U geeft aan dat het verstandig zou zijn dat de advocaat vragen kan stellen en een standpunt kan innemen. (…) U vraagt mij of ik afstand doe van mijn advocaat. Ik zou mijn adviseur moeten raadplegen, die is er niet. U vraagt mij nogmaals of mijn advocaat niets hoeft te zeggen. U geeft aan dat wij het vandaag moeten doen met de mensen die hier zijn en dat u met de informatie uit het dossier een beslissing moet nemen. (…) U vraagt mij mr. De Groot de kans te geven toe te lichten wat zij wil zeggen. Dat wil ik niet.
Advocaat mr. De Groot
Dit gebeurt voor het eerst.
Betrokkene:
Waarom wordt het altijd doorgedrukt, leg mij dat eens uit. U geeft aan dat u denkt dat het in mijn belang is, maar dat u mijn advocaat niet kan verplichten wat te zeggen als ik zeg dat ik dat per se niet wil. U geeft aan dat u wel een beslissing gaat nemen. U zegt dat u de advocaat toch nog even aankijkt. Dit is net als de deur inbeuken thuis.”
2.3
De rechtbank [1] heeft een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden. Over juridische bijstand aan betrokkene heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“4.1. Betrokkene wordt op de zitting bijgestaan door zijn (stam)advocaat mr. A.M.G. de Groot. Betrokkene geeft tijdens de zitting te kennen niet meer door zijn advocaat te willen worden bijgestaan en zelf zijn verdediging te willen voeren. De advocaat is verrast en is hiervan niet op de hoogte, terwijl de advocaat het verzoek wel heeft voorbesproken met betrokkene. De rechtbank wijst betrokkene tijdens de mondelinge behandeling erop dat mr. De Groot betrokkene eerder heeft bijgestaan en kennis van zaken heeft. De rechtbank heeft betrokkene meermaals gevraagd of hij toch niet bijgestaan wil worden door mr. De Groot. Betrokkene gaf hierop duidelijk aan dit niet te willen. De rechtbank oordeelt dat de betrokkene zijn wil tot afstand van de advocaat in vrijheid heeft kunnen bepalen en dat hij zich realiseert dat het gevolg is dat hij geen juridische bijstand krijgt tijdens de zitting. De rechtbank heeft deze wil ondubbelzinnig vastgesteld, mede gelet op een mogelijke stoornis, en het doen van afstand in dit geval in verhouding staat tot het belang van het recht dat daarmee wordt prijsgegeven.”

3.Beoordeling van het middel

3.1
Het middel is gericht tegen rov. 4.1 van de bestreden beschikking (zie hiervoor in 2.3). Het middel klaagt onder meer dat uit de bestreden beschikking ten onrechte niet blijkt of de rechtbank heeft onderzocht of betrokkene een andere advocaat wenste (onderdeel 1 onder a), en dat voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat betrokkene toevoeging van een andere advocaat niet wenste, dat oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is (onderdeel 1 onder b).
3.2
Ingevolge art. 1:7 lid Pro 1, aanhef en onder a, Wvggz geeft de rechter, indien een verzoekschrift voor een zorgmachtiging wordt voorbereid, onverwijld aan het bestuur van de raad voor de rechtsbijstand een last tot toevoeging van een advocaat aan de betrokkene, indien niet blijkt dat de betrokkene reeds een advocaat heeft. Een met de kwetsbare positie van de betrokkene strokende uitleg van deze bepaling, in verbinding met art. 1:7 lid 3 Wvggz Pro en art. 44 lid 2 Sv Pro, brengt mee dat indien de betrokkene te kennen geeft niet (meer) door de toegevoegde advocaat te willen worden bijgestaan, de rechter dient te onderzoeken of de betrokkene toevoeging van een andere advocaat wenst. De rechter dient in zijn beschikking van het resultaat van dit onderzoek te doen blijken. [2]
3.3
Het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand is als zodanig niet onverenigbaar met art. 1:7 Wvggz Pro, noch met art. 5 EVRM Pro. In zaken als de onderhavige, waarin het onder meer gaat om de onvrijwillige opname in een accommodatie van veelal kwetsbare personen met een psychische stoornis, mag afstand van het recht op rechtsbijstand evenwel niet te snel worden aangenomen. Die afstand mag alleen dan worden aangenomen als de betrokkene zijn wil daartoe in vrijheid heeft kunnen bepalen, die wil ondubbelzinnig kan worden vastgesteld, mede gelet op een mogelijke stoornis, en het doen van afstand in verhouding staat tot het belang van het recht dat daarmee wordt prijsgegeven. [3]
3.4
Nadat betrokkene bij de mondelinge behandeling te kennen had gegeven niet meer door de toegevoegde advocaat te willen worden bijgestaan, diende de rechtbank te onderzoeken of betrokkene toevoeging van een andere advocaat wenste (zie hiervoor in 3.2). Uit de bestreden beschikking blijkt niet, ook niet in samenhang met hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, dat de rechtbank dit heeft onderzocht. De hiervoor in 3.1 vermelde klacht van onderdeel 1 onder a is dus gegrond. Voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat betrokkene elke bijstand van een advocaat weigert, is dat oordeel, gelet op de in de bestreden beschikking en het proces-verbaal weergegeven uitlatingen van betrokkene, bovendien onbegrijpelijk. De hiervoor in 3.1 weergegeven klachten slagen derhalve eveneens.
3.5
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 17 maart 2025;
- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.M. Wattendorff, als voorzitter, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
29 mei 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Gelderland 17 maart 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5006.
2.Zie onder meer HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1138, rov. 3.2.
3.Zie onder meer HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1138, rov. 3.3.