Belanghebbende stelde in hoger beroep voor het eerst een verzoek om vergoeding van immateriële schade in wegens overschrijding van de redelijke termijn in de belastingprocedure over het jaar 2015. Het Gerechtshof Amsterdam wees dit verzoek af omdat het niet in eerste aanleg was ingediend, verwijzend naar een eerdere uitspraak van de Hoge Raad uit 2016.
De Hoge Raad oordeelde dat het verzoek ook voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan en vernietigde het oordeel van het Hof. Uit de processtukken bleek dat de redelijke termijn in eerste aanleg met meer dan zes maar minder dan twaalf maanden was overschreden, zonder bijzondere omstandigheden die verlenging rechtvaardigen.
De Hoge Raad kende daarom een immateriële schadevergoeding van €1.000 toe aan belanghebbende. Tevens werden proceskosten aan belanghebbende toegekend en werd de Inspecteur en de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld tot betaling van griffierechten en een deel van de kosten van rechtsbijstand.
De uitspraak bevestigt het belang van tijdige afhandeling van belastingzaken en verduidelijkt dat een verzoek om vergoeding wegens termijnoverschrijding ook in hoger beroep kan worden ingediend.