Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:834

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
24/03991
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 lid 2 Wet WOZArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel over indexeringspercentages bij WOZ-waardering

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin het hoger beroep tegen een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) en aanslagen onroerendezaakbelastingen en watersysteemheffing werd behandeld.

Het geschil betrof de toepassing van indexeringspercentages op verkoopprijzen van vergelijkingsobjecten bij de waardering van onroerende zaken. Het Hof oordeelde dat deze indexeringspercentages niet onder de reikwijdte van artikel 40, lid 2, Wet WOZ vallen. Belanghebbende stelde hiertegen een middel in cassatie voor, dat de Hoge Raad echter niet ontvankelijk achtte omdat de indexeringspercentages reeds in de bezwaarfase waren verstrekt.

De overige klachten van belanghebbende werden eveneens door de Hoge Raad beoordeeld, maar leidden niet tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het hofarrest blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/03991
Datum5 juni 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GEMEENTEN EN HOOGHEEMRAADSCHAP UTRECHT
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 september 2024, nr. BK-ARN 23/485 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 22/2411) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en aanslagen in de onroerendezaakbelastingen en de watersysteemheffing voor het jaar 2021.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, vertegenwoordigd door [P1] en [P2] , heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1
Het Hof heeft geoordeeld dat de indexeringspercentages die de heffingsambtenaar heeft toegepast op de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten, niet onder de reikwijdte van artikel 40, lid 2, van de Wet waardering onroerende zaken vallen. De daartegen gerichte klacht van middel I is terecht voorgesteld. De Hoge Raad verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 5.16.10 van zijn arrest van 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297. De klacht kan echter niet tot cassatie leiden omdat de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat de indexeringspercentages in de bezwaarfase zijn verstrekt.
2.2
De Hoge Raad heeft ook de overige de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.