Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht en een termijn van vier weken gesteld voor betaling. Deze brief is afgeleverd op het opgegeven adres.
Ondanks deze kennisgeving is het griffierecht niet betaald. Vervolgens heeft de griffier belanghebbende via het digitale dossier en per e-mail in de gelegenheid gesteld om te reageren op de niet-betaling. Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er is geen veroordeling in proceskosten opgelegd. Het arrest is op 5 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.