Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 23 mei 2023, waarin hoger beroep was ingesteld tegen uitspraken van de Rechtbank Noord-Holland over navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen over de jaren 2010 tot en met 2013, alsmede een boetebeschikking over 2012.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van belanghebbende ongegrond verklaard. Nieuwe gronden die na de termijn voor conclusie van repliek werden ingebracht, zijn niet in behandeling genomen. De klachten van belanghebbende zijn afgewezen op de gronden die in een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2026:782) zijn vermeld.
Verder constateert de Hoge Raad dat de cassatieprocedure een overschrijding van de redelijke termijn kent van meer dan zes maar minder dan twaalf maanden. Omdat belanghebbende geen verzoek tot vergoeding van immateriële schade heeft ingediend, kent de Hoge Raad geen schadevergoeding toe. Voor de boete, die minder dan € 1.000 bedraagt, volstaat de constatering van de termijnoverschrijding.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en spreekt het arrest uit in aanwezigheid van de vice-president en raadsheren op 5 juni 2026.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het hof blijft in stand.