ECLI:NL:HR:2026:859

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
23/02782
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.151 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake belastingaanslagen en boetebeschikking

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 23 mei 2023, waarin hoger beroep was ingesteld tegen uitspraken van de Rechtbank Noord-Holland over navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen over de jaren 2010 tot en met 2013, alsmede een boetebeschikking over 2012.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van belanghebbende ongegrond verklaard. Nieuwe gronden die na de termijn voor conclusie van repliek werden ingebracht, zijn niet in behandeling genomen. De klachten van belanghebbende zijn afgewezen op de gronden die in een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2026:782) zijn vermeld.

Verder constateert de Hoge Raad dat de cassatieprocedure een overschrijding van de redelijke termijn kent van meer dan zes maar minder dan twaalf maanden. Omdat belanghebbende geen verzoek tot vergoeding van immateriële schade heeft ingediend, kent de Hoge Raad geen schadevergoeding toe. Voor de boete, die minder dan € 1.000 bedraagt, volstaat de constatering van de termijnoverschrijding.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en spreekt het arrest uit in aanwezigheid van de vice-president en raadsheren op 5 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het hof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/02782
Datum5 juni 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 mei 2023, nrs. 20/00715 tot en met 20/00720 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 18/712 tot en met HAA 18/717) betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2010 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de aan belanghebbende voor dat jaar opgelegde aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente, de aan belanghebbende voor het jaar 2011 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente, de ten aanzien van belanghebbende voor de jaren 2012 en 2013 gegeven beschikkingen als bedoeld in artikel 3.151, lid 1, Wet IB 2001, en een ten aanzien van belanghebbende voor het jaar 2012 gegeven boetebeschikking.

1.Geding in cassatie

1.1
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
1.2
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Dit stuk bevat stellingen die niet anders kunnen worden begrepen dan als nieuwe, buiten de daarvoor geldende termijn voorgestelde, gronden van het beroep in cassatie. De Hoge Raad gaat aan die stellingen voorbij. [2] Na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een conclusie van repliek heeft belanghebbende nog meer stukken ingediend. Op die stukken slaat de Hoge Raad geen acht.

2.Beoordeling van de klachten

De klachten falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag tussen dezelfde partijen heeft uitgesproken in de zaak met nummer 23/02781, ECLI:NL:HR:2026:782.

3.Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure

3.1
In deze zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld op 17 juli 2023. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan zes maanden maar minder dan twaalf maanden.
3.2
Belanghebbende heeft niet verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure. Wat betreft de bestreden belastingaanslagen en beschikkingen kent de Hoge Raad daarom geen vergoeding van immateriële schade toe. [3]
3.3
Omdat de boete minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, wordt voor wat betreft de boete volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [4]

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en A.J. van Doesum, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.

Voetnoten

2.Vgl. HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7103, rechtsoverweging 3.1.
3.Vgl. HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, rechtsoverweging 5.2.
4.Vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, rechtsoverweging 3.4.3.