Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 23 mei 2023, waarin hoger beroep was ingesteld tegen uitspraken van de Rechtbank Noord-Holland over navorderingsaanslagen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen, inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en een boetebeschikking voor de jaren 2010 tot en met 2013.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond verklaard. Nieuwe gronden die na de termijn voor repliek werden ingediend, zijn niet in behandeling genomen. De klachten zijn afgewezen op basis van een eerder vandaag gewezen arrest tussen dezelfde partijen.
De cassatieprocedure kende een overschrijding van de redelijke termijn van meer dan zes maar minder dan twaalf maanden. Omdat belanghebbende geen verzoek tot vergoeding van immateriële schade heeft ingediend, kent de Hoge Raad geen schadevergoeding toe. Voor de boete, die minder dan € 1.000 bedraagt, volstaat de constatering van de termijnoverschrijding.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en heeft het arrest in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de overschrijding van de redelijke termijn wordt geconstateerd zonder toekenning van schadevergoeding.