Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:865

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
26/00287
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland betreffende verzet tegen een eerdere uitspraak. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van dit beroep. Uit de stukken bleek dat het beroepschrift op 30 januari 2026 was ontvangen, terwijl de termijn van zes weken, zoals gesteld in artikel 6:7 Awb Pro, op 8 januari 2026 was verstreken.

De Hoge Raad stelde belanghebbende bij aangetekende brief in de gelegenheid om een toelichting te geven op de termijnoverschrijding, maar belanghebbende maakte hier geen gebruik van. De aangevoerde redenen in het beroepschrift boden geen grond om het verzuim te verhelpen.

Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 5 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer26/00287
Datum5 juni 2026
ARREST
op het door [X] (hierna: belanghebbende) ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 27 november 2025, nr. HAA 25/1575 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 1 augustus 2025.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De griffier van de Rechtbank heeft op de uitspraak op het verzet aangetekend dat een afschrift van die uitspraak aan partijen is verzonden op 27 november 2025.
Uit een door de griffier van de Hoge Raad op het beroepschrift in cassatie gestelde aantekening blijkt dat dit beroepschrift op 30 januari 2026 door de griffie van de Hoge Raad is ontvangen.
Het beroepschrift in cassatie is dus niet ingediend binnen de in artikel 6:7 Awb Pro gestelde termijn van zes weken, die in dit geval eindigde op 8 januari 2026. Het is ook niet tijdig ingediend in de zin van artikel 6:9, lid 2, Awb.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 3 februari 2026 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom de beroepstermijn is overschreden. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgehaald op de afhaallocatie. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruikgemaakt. Wat belanghebbende in zijn beroepschrift in cassatie over de termijnoverschrijding aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Daarom zal de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.A.J. Lafleur, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.