Uitspraak
1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Op 3 juni 2026 heeft de Hoge Raad via het webportaal een brief van belanghebbende
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende, VOF [X], heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende op 20 februari 2026 schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht en een termijn van vier weken gesteld voor betaling.
De brief is afgeleverd op het opgegeven adres, maar het griffierecht is niet voldaan. Op 23 maart 2026 is belanghebbende via het digitale dossier en e-mail in de gelegenheid gesteld om een verklaring te geven voor het niet betalen van het griffierecht. Een brief van belanghebbende die op 3 juni 2026 via het webportaal werd ingediend, is buiten beschouwing gelaten omdat deze na de gestelde termijn was ingediend.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er is geen veroordeling in proceskosten opgelegd. Het arrest is op 5 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.