Belanghebbende, een B.V., stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende bij aangetekende brief op 23 februari 2026 op de verschuldigdheid van het griffierecht en stelde een betalingstermijn van vier weken. Deze brief werd volgens Track&Trace afgeleverd op het opgegeven adres.
Ondanks deze kennisgeving werd het griffierecht niet betaald. Op 24 maart 2026 plaatste de griffier een bericht in het digitale dossier van belanghebbende met de mogelijkheid om een verklaring te geven voor het niet-betalen. Tevens werd een kennisgeving van deze plaatsing verzonden naar het opgegeven e-mailadres. Belanghebbende maakte geen gebruik van deze gelegenheid.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest werd uitgesproken op 5 juni 2026 door de vice-president en twee raadsheren.