ECLI:NL:HR:2026:916
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad stelt vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn vast op €500
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag waterschapsbelasting 2020 en vorderde vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. De rechtbank wees het bezwaar ongegrond en verzuimde te beslissen op de vergoeding van immateriële schade. Het hof kende een vergoeding toe wegens overschrijding van ongeveer een half jaar, maar matigde deze van €500 naar €50 vanwege de eenvoud en het geringe financiële belang van de zaak.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte de vergoeding had gematigd en verwees naar een eerder arrest waarin de redelijke termijn en vergoeding zijn toegelicht. De overschrijding van ruim twee maanden rechtvaardigt een vergoeding van €500. De overige klachten tegen het hofarrest werden verworpen zonder nadere motivering.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover het de vergoeding van immateriële schade betreft, stelde de vergoeding vast op €500 en veroordeelde de Staat tot betaling van het griffierecht en proceskosten voor belanghebbende. Hiermee wordt de bescherming van het recht op een redelijke termijn in bestuursrechtelijke procedures benadrukt.
Uitkomst: De Hoge Raad stelt de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn vast op €500 en veroordeelt de Staat in proceskosten.