Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:923

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
25/02193
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake boetebeschikkingen belastingrecht

Belanghebbende heeft in cassatie beroep ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 7 mei 2025, waarin het hof uitspraak deed over boetebeschikkingen opgelegd door de Staatssecretaris van Financiën. Dit betrof een vervolg op een eerdere zaak die door de Hoge Raad was verwezen naar het hof ter verdere behandeling.

De Hoge Raad heeft de ingediende klachten van belanghebbende tegen het arrest van het hof beoordeeld. De klachten konden echter niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad heeft daarbij geen nadere motivering gegeven, omdat de beoordeling niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad heeft tevens besloten geen proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee blijft het arrest van het Gerechtshof Amsterdam in stand en worden de boetebeschikkingen bevestigd.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer25/02193
Datum12 juni 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 7 mei 2025, nrs. 24/3469 tot en met 24/3472 [1] , betreffende ten aanzien van belanghebbende gegeven boetebeschikkingen.

1.Het eerste geding in cassatie

Bij arrest van de Hoge Raad van 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1394, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag, nrs. BK-22/00072 tot en met BK-22/00075 [2] , met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Reddoub, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.