Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.Eerdere herzieningsaanvraag
3.De aanvraag tot herziening
4.Bewezenverklaring en bewijsvoering
5.Beoordeling van de aanvraag
6.Beslissing
16 juni 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een herzieningsverzoek tegen een veroordeling voor poging tot doodslag op de ex-vriendin van de aanvrager, gepleegd in juni 2016 in Den Haag. De aanvrager werd door het hof veroordeeld tot 66 maanden gevangenisstraf. Eerder werd een herzieningsverzoek reeds afgewezen door de Hoge Raad in 2025.
De bewezenverklaring steunt op meerdere bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van het slachtoffer, getuigenverklaringen, medische rapporten en politieprocessen-verbaal. Het slachtoffer verklaarde dat de aanvrager haar in de portiek van haar flat met een mes aanviel en haar sneden toebracht aan haar nek en oor. Getuigen bevestigden het incident en het telefoongesprek met het slachtoffer tijdens de aanval.
De aanvrager stelde in het herzieningsverzoek dat een nieuwe verklaring van een getuige, die verklaarde dat de aanvrager op het moment van het misdrijf thuis lag te slapen, een ernstig vermoeden van onschuld wekte. De Hoge Raad oordeelde echter dat deze verklaring onverenigbaar is met eerdere verklaringen van de aanvrager en een andere getuige, en onvoldoende gewicht heeft tegenover de gedetailleerde bewijsvoering van het hof.
Daarom is het herzieningsverzoek afgewezen en blijft de veroordeling van 66 maanden gevangenisstraf in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het herzieningsverzoek af en bevestigt de veroordeling tot 66 maanden gevangenisstraf voor poging tot doodslag.