Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
3.De oordelen van het Hof
4.Beoordeling van het middel
5.Slotsom
6.Proceskosten
(i) drie proceshandelingen in beroep (beroepschrift, verschijnen ter zitting en schriftelijke inlichtingen), en daarmee van 2,5 punten, en vijf proceshandelingen in hoger beroep (beroepschrift, schriftelijke inlichtingen, verschijnen ter zitting, schriftelijke reactie op de door het Hof te stellen prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, en schriftelijke opmerkingen in de prejudiciële procedure bij de Hoge Raad), en daarmee van 5 punten,
(ii) factor 1 wegens het gewicht van de zaak in deze fasen, en
(iii) een puntwaarde van € 934 voor het beroep en hoger beroep.
Dat komt neer op een vergoeding van € 2.335 voor het geding voor de Rechtbank, en een vergoeding van in totaal € 4.670 voor het geding voor het Hof. Omdat het Hof blijkens zijn hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel, de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) voor een bedrag van € 113,38 heeft veroordeeld in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tegen dit oordeel in cassatie niet is opgekomen, blijft deze beslissing van het Hof in stand. Met inachtneming daarvan zal de heffingsambtenaar worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof tot een bedrag van € 4.556,62 (€ 4.670 - € 113,38).
(i) één proceshandeling (beroepschrift in cassatie) en daarmee van 2 punten,
(ii) factor 1 wegens het gewicht van de zaak in cassatie,
(iii) de waarde per punt die is neergelegd in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit, en
(iv) vermenigvuldiging met de factor 0,10, zoals bedoeld in artikel 30a, lid 2, letter b, van de Wet WOZ, aangezien dit arrest niet inhoudt dat de bestreden besluiten (een WOZ-beschikking en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen) worden vernietigd of gewijzigd.
Dat komt neer op een proceskostenvergoeding van € 187.