Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:955

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
25/02892
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis lid 1 SrArt. 420ter lid 1 SrArt. 6 lid 2 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest witwassen en wijst zaak terug voor hernieuwde berechting

De Hoge Raad heeft op 23 juni 2026 het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 21 augustus 2025 vernietigd voor zover het betrekking heeft op het witwassen van een Mercedes Benz en de strafoplegging. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling. De verdachte werd vrijgesproken van witwassen van de Mercedes, maar veroordeeld voor medeplegen witwassen van twee Rolex-horloges.

Het hof had geoordeeld dat de Mercedes uit de erfenis van een overleden persoon afkomstig was, maar dat het wegens de onschuldpresumptie uit artikel 6 lid 2 EVRM Pro niet kon worden vastgesteld dat deze persoon strafrechtelijk aansprakelijk was. De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte de schuld van de overledene als relevant heeft beschouwd en dat het hof zich slechts had moeten richten op de vraag of de auto uit enig misdrijf afkomstig was.

Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de bewezenverklaring omtrent de witwaspraktijken met betrekking tot de twee horloges onvoldoende is gemotiveerd. Daarom vernietigt de Hoge Raad ook dit deel van het arrest en wijst de zaak terug. Voor het overige worden de beroepen verworpen. De zaak wordt dus opnieuw behandeld door het hof Amsterdam.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het arrest voor witwassen van de Mercedes en horloges en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer25/02892
Datum23 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 21 augustus 2025, nummer 23-000914-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

De beroepen zijn ingesteld door de verdachte en het openbaar ministerie.
Namens de verdachte heeft de advocaat L.E.G. van der Hut bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. Ook het openbaar ministerie heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De raadsvrouw van de verdachte heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het in zaak A feit 1 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Tenlastelegging, bewezenverklaring en bewijsvoering van het hof

2.1
Aan de verdachte is in zaak A onder 1 tenlastegelegd dat:
“hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met heden te Amsterdam en/of Amstelveen en/of Ibiza en/of Marbella en/of Malaga, althans in Nederland en/of Spanje, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) (van) een of meer voorwerp(en) en/of een of meer geldbedrag(en), te weten (onder meer):
- een Mercedes Benz E63 AMG S4Matic Limousine, met chassisnummer [0001] met tijdelijk (export)kenteken [kenteken 1] en/of
- vijf, althans een of meer kostbare horloges (uit de erfenis van [naam 1] , te weten onder meer van het merk Rolex (een GMT en/of een Skydweller en/of Daytona) en/of Audemars Piquet) en/of
- een of meer contante storting(en) voor een totaalbedrag van (ongeveer) 73.060,- euro op ING betaalrekening met nummer [rekeningnummer 1] op naam van, verdachte, [verdachte] (AMB–055) en/of
- een of meer contante storting(en) voor een totaalbedrag van (ongeveer) 34.977,- euro op Rabobank rekening [rekeningnummer 2] op naam van, verdachte, [verdachte] (AMB-055) en/of
- een of meer contante betaling(en) voor een totaalbedrag van (ongeveer) 19.150,- euro in verband met de aanschaf van een KIA Sportage met kenteken [kenteken 2] (AMB-043, DOC-007 en DOC–008) en/of
- een of meer contante betaling(en) voor een totaalbedrag van (ongeveer) 18.500,- euro in verband met de aanschaf van een Audi A6 met kenteken [kenteken 3] (DOC-010, DOC-058 t/m DOC-060) en/of
- een horloge Rolex Oyster Perpetual, type Day-Date met serienummer [0002] (DOC-037 en DOC-088 en AMB-015a) en/of
- een horloge Rolex Oyster Perpetual, type Datejust met serienummer [0003] (DOC-041 en AMB-015) en/of
- een of meer contante betaling(en) voor een totaalbedrag van 3.115,- euro in verband met een buik liposuctie (DOC-013) en/of
- een of meer contante betalingen voor een totaalbedrag 2.199,- euro voor de aanschaf van meubels bij Seats and Sofas (DOC-053) en/of een of meer geldbedrag(en) en/of een of meer andere (luxe) goed(eren),
de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op voornoemde voorwerp(en) is/zijn en/of wie voornoemde voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben en/of verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – geheel of gedeeltelijk (mede) afkomstig was/waren uit enig misdrijf.”
2.2
Daarvan is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 2016 tot en met 6 november 2017 in Nederland van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, telkens voorwerpen en geldbedragen, te weten onder meer:
- contante stortingen voor een totaalbedrag van 73.060,- euro op ING betaalrekening met nummer [rekeningnummer 1] op naam van, verdachte, [verdachte] en
- contante stortingen voor een totaalbedrag van 34.977,- euro op Rabobank rekening [rekeningnummer 2] op naam van, verdachte, [verdachte] en
- contante betalingen voor een totaalbedrag van 19.150,- euro in verband met de aanschaf van een KIA Sportage met kenteken [kenteken 2] en
- contante betalingen voor een totaalbedrag van 18.500,- euro in verband met de aanschaf van een Audi A6 met kenteken [kenteken 3] en
- contante betalingen voor een totaalbedrag van 3.115,- euro in verband met een buik liposuctie en
- contante betalingen voor een totaalbedrag van 2.199,- euro voor de aanschaf van meubels bij Seats and Sofas en/of een of meer geldbedrag(en) en
- andere luxe goederen,
verworven, voorhanden gehad, omgezet en gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat die voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – geheel of gedeeltelijk mede afkomstig waren uit enig misdrijf;
en
hij in de periode van 24 april 2017 tot en met 29 december 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, van voorwerpen, te weten:
- een horloge Rolex Oyster Perpetual, type Day-Date met serienummer [0002] en
- een horloge Rolex Oyster Perpetual, type Datejust met serienummer [0003]
de herkomst en wie de rechthebbende op voornoemde voorwerpen is hebben verhuld en voornoemde voorwerpen hebben verworven en voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat die voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – mede afkomstig waren uit enig misdrijf.”
2.3
Het hof heeft over dit feit onder meer overwogen:

Beoordeling van het hof ten aanzien van zaak A feit 1
Mont du Chat I
(...)
Ten aanzien van de Mercedes Benz uit de erfenis van [naam 1]Het hof is van oordeel dat op grond van het dossier niet mag en daarmee niet kan worden vastgesteld dat de Mercedes uit de erfenis van [naam 1] van misdrijf afkomstig is. Daartoe overweegt het hof als volgt.
Vast staat dat de Mercedes aan [naam 1] toebehoorde en er zijn aanwijzingen dat de verdachte na het overlijden van [naam 1] al dan niet in de vorm van medeplegen handelingen heeft verricht ten aanzien van de Mercedes. Ook is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat het dossier wel aanwijzingen bevat dat het vermogen van [naam 1] van misdrijf afkomstig is. Een bewijsvermoeden is echter op zichzelf onvoldoende om vast te stellen dat de Mercedes van misdrijf afkomstig is. [naam 1] is nimmer voor witwassen of onderliggende gronddelicten vervolgd, laat staan onherroepelijk veroordeeld. De verdediging heeft onder verwijzing naar jurisprudentie van het Europees hof voor de rechten van de mens (EHRM, Vulakh and others v. Russia, ECHR 10 januari 2012, 33468/03) kort gezegd aangevoerd dat de onschuldpresumptie van artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) eraan in de weg staat dat postuum de schuld van [naam 1] aan enig strafbaar feit wordt vastgesteld. Het hof onderschrijft de uitleg van de verdediging inzake deze inmiddels bestendige jurisprudentie van het Europees hof. De vraag ligt dan voor of met de vaststelling - als daartoe gekomen zou kunnen worden - dat de Mercedes al dan niet gedeeltelijk uit enig misdrijf afkomstig is en waarbij de mogelijkheid dat dit een door [naam 1] gepleegd strafbaar feit is zeker niet denkbeeldig is, ook sprake zou zijn van het postuum vaststellen van schuld van [naam 1] aan enig strafbaar feit - een vaststelling waartegen [naam 1] zich niet meer kan verdedigen. Die vraag kan naar het oordeel van het hof niet anders dan bevestigend worden beantwoord. Dat brengt mee dat het hof indachtig de onschuldpresumptie verder geen oordeel kan en zal geven aangaande de al dan niet criminele herkomst van het vermogen van [naam 1] en de hier in geding zijnde Mercedes.
Het hof begrijpt dat een en ander in voorkomende gevallen tot het maatschappelijk onwenselijke gevolg kan leiden dat crimineel vermogen door het overlijden van de oorspronkelijke – nog niet onherroepelijk veroordeelde – eigenaar via derden in de legale economie terecht kan komen. Het hof acht deze uitkomst echter op basis van de huidige wetgeving onontkoombaar.
Naar het oordeel van het hof is aldus niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de Mercedes uit de erfenis van [naam 1] heeft witgewassen, zodat de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging behoort te worden vrijgesproken. Hetgeen de verdediging overigens ten aanzien van de Mercedes als verweer heeft aangevoerd, behoeft geen verdere bespreking.
Mont du Chat II
Vaststellingen
Het hof stelt, in lijn met het vonnis van de rechtbank, het volgende vast ten aanzien van de contante stortingen en de betalingen voor luxe goederen.
Er is onderzoek gedaan naar de vermogenspositie van de verdachte. Uit een iCOV-bevraging is gebleken dat de verdachte een uitkering ontving van de gemeente Amsterdam. In 2016 was zijn netto-inkomen € 11.693,00 en ontving hij zorgtoeslag. [betrokkene 1] , de partner van de verdachte, had in 2016 een netto-inkomen van € 13.118,00. Daarnaast ontving zij een kindgebonden budget en zorgtoeslag. Verder had zij per 10 augustus 2016 een Audi A6 met kenteken [kenteken 3] en per 24 april 2017 een KIA Sportage met kenteken [kenteken 2] op haar naam staan.
Vervolgens is onderzoek gedaan naar de bankrekeningen van de verdachte. In de periode van 3 februari 2016 tot en met 23 februari 2017 heeft de verdachte gebruik gemaakt van een Rabobank-rekening met nummer [rekeningnummer 2] . Van 22 januari 2017 tot en met 12 oktober 2017 heeft de verdachte gebruik gemaakt van een ING-rekening met nummer [rekeningnummer 1] . Op de Rabobank-rekening zijn tussen 5 januari 2016 en 16 januari 2017 21 contante stortingen gedaan, onder meer in coupures van € 200,00. Het totaalbedrag dat op deze rekening is gestort bedraagt € 34.977,00. Op de ING-rekening zijn 14 contante storingen gedaan in de periode van 7 februari 2017 tot en met 30 oktober 2017. In totaal is er € 73.060,00 op deze rekening gestort.
Op 6 november 2017 is de woning gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] doorzocht. De verdachte verblijft samen met zijn partner op dat adres. Bij deze doorzoeking zijn verschillende facturen aangetroffen, waaronder een factuur van [bedrijf 2] van 7 februari 2017, gericht aan “ [verdachte] ” met adres [a-straat 1] te [plaats] . De factuur heeft betrekking op de aankoop van een KIA Sportage, waarbij als aanbetaling € 5.000,00 contant is betaald. Ook is een factuur aangetroffen van hetzelfde autobedrijf van 24 april 2017, wederom gericht aan “ [verdachte] ”. Die factuur heeft betrekking op dezelfde aankoop van de KIA Sportage met kenteken [kenteken 2] voor een totaalbedrag van € 19.150,00. Op die factuur is aangegeven: contant voldaan. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij voornoemde KIA Sportage inderdaad contant heeft betaald.
Verder is een factuur aangetroffen van [bedrijf 1] te [plaats] van 9 augustus 2016, gericht aan [betrokkene 1] met adres [a-straat 1] te [plaats] . Deze factuur heeft betrekking op de aankoop van een Audi A6 met kenteken [kenteken 3] voor een bedrag van € 18.500,00. De eigenaar van [bedrijf 1] is op 20 december 2017 als getuige gehoord. Hij verklaarde dat hij een man en vrouw heeft ontmoet en gesproken over de aankoop van de Audi A6. De man was groot en breed en had een donkere huidskleur. De auto is op naam van de vrouw, [betrokkene 1] , gezet. Aan de getuige was gevraagd hoeveel er contant kon worden betaald. De getuige is akkoord gegaan met een betaling via de bank van € 12.500,00. De man heeft bij het ophalen van de auto € 6.000,00 contant betaald. De verdachte is verder op verschillende momenten geobserveerd door het onderzoeksteam. Op verschillende data (24 en 27 juli 2017 en 27 en 31 oktober 2017) is gezien dat de verdachte in de Audi A6 reed.
Bij de doorzoeking werd ook een betalingsbewijs van Clinique [...] van 21 mei 2017 aangetroffen, dat is gericht aan [verdachte] en betrekking heeft op een liposuctie aan de buik ter waarde van € 3.115,00. Dat bedrag is contant voldaan.
De verdachte stond indertijd ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [plaats] . Op dat adres heeft eveneens een doorzoeking plaatsgevonden. Daarbij is een factuur aangetroffen. Het betreft een factuur van Seats en Sofas B.V. van 31 mei 2017 van € 2.199,00 die betrekking heeft op de aanschaf van onder meer meubels en kussens. De factuur is gericht aan [verdachte] met adres [b-straat 1] te [plaats] . Op 7 april 2017 is een aanbetaling van € 500,00 gedaan. Op 31 mei 2017 is het restant van € 1.699,00 contant voldaan.
Verder is bij de aanhouding van de verdachte op 6 november 2017 een horloge aangetroffen. Het gaat om een Rolex Oyster Perpetual van het type Datejust met serienummer [0003] . Er is onderzoek gedaan naar de echtheid van dat horloge. Gebleken is dat het horloge echt was en tussen de € 7.100,00 en € 10.500,00 waard is. Ten slotte zijn onder de verdachte nog andere geldbedragen en luxe goederen inbeslaggenomen, deze staan op de beslaglijst, die als bijlage I aan dit arrest is gehecht.
Beoordeling
Het hof stelt vast dat op grond van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld uit welk(e) gronddelict(en) bovengenoemde geldbedragen afkomstig zijn. Daarmee is naar bestendige jurisprudentie ter zake van witwassen het zogenoemde zes-stappenplan van toepassing.
(...)
Uit het dossier blijkt dat de verdachte beschikt over onverklaarbaar vermogen. De verdachte en zijn vriendin hebben een inkomen op uitkeringsniveau en beschikken over bankrekeningen met een nihil of negatief saldo. Desondanks is er, nog los van de contante betalingen, in de periode van 5 januari 2016 tot en met 30 oktober 2017 een bedrag van in totaal € 108.037,00 contant geld op de twee rekeningen van de verdachte gestort. Gelet hierop is er naar het oordeel van het hof sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen en ligt het op de weg van de verdachte om een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven voor de herkomst van deze geldbedragen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat de op de bankrekening van de verdachte gestorte contante geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn. Het geld was deels afkomstig van de verkoop van onroerend goed in Suriname en deels afkomstig van de (biologische) vader van de verdachte. Ook heeft de verdachte € 12.500,00 geleend van zijn schoonzus en € 30.000,00 in contanten geleend van [medeverdachte].
Het hof overweegt ten aanzien van deze verklaringen als volgt.
(...)
Lening van € 30.000,00 van [medeverdachte]
De verdachte heeft verklaard dat hij € 30.000,00 heeft geleend van [medeverdachte], die het bedrag in één keer contant aan de verdachte heeft gegeven. In het dossier ziet het hof aanwijzingen dat de verdachte inderdaad geld van [medeverdachte] heeft geleend. Daarom geldt deze verklaring als een concrete, verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring. Dit bedrag aan legaal geld is in verhouding echter dusdanig gering, dat het mogelijk legale karakter daarvan door vermenging met het overige vermogen en de daarmee gedane uitgaven met dubieuze herkomst teniet wordt gedaan.
Ten aanzien van de overige onder zaak A feit 1 tenlastegelegde onderdelen heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd, anders dan dat deze betalingen zouden zijn gedaan met het legaal geld afkomstig van financiële ondersteuning van de vader van de verdachte en de verkoop van het onroerend goed in Suriname. Hetgeen daarover eerder is overwogen geldt ook ten aanzien van deze onderdelen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande kunnen de verklaringen van de verdachte – behalve ten aanzien van de lening van [medeverdachte] welke verklaring om een andere reden de verdachte geen soelaas kan bieden – niet worden aangemerkt als verklaringen die de vereiste maatstaf halen. Nu er sprake is van een vermoeden van witwassen en de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van deze gelden, is het hof van oordeel het niet anders kan zijn dan dat de contante stortingen op de bankrekeningen van de verdachte en de door hem gedane contante betalingen afkomstig zijn van enig misdrijf.
Het witwassen heeft een zodanige omvang en continuïteit gehad dat het hof bewezen acht dat de verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt. Ten aanzien van de twee Rolex horloges is er sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [medeverdachte], zodat het hof medeplegen ten aanzien van deze voorwerpen eveneens bewezen acht.”
3. Beoordeling van het cassatiemiddel dat door het openbaar ministerie is voorgesteld
3.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de door het hof gegeven vrijspraak van, kort gezegd, het in zaak A onder 1 tenlastegelegde witwassen van een Mercedes.
3.2
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 420bis lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):
“1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie:
a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf;
b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.”
- Artikel 420ter lid 1 Sr:
“Hij die van het plegen van witwassen een gewoonte maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
3.3.1
Voor een bewezenverklaring van het in een op artikel 420bis Sr toegesneden tenlastelegging opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het betreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dat betekent ook dat niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. (Vgl. HR 28 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2124, rechtsoverweging 3.5.)
3.3.2
Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ (als bedoeld in artikel 420bis en volgende Sr), kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.|
Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs. (Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.)
3.4.1
Het hof heeft onder meer het volgende overwogen. De in de tenlastelegging in zaak A onder 1 bedoelde Mercedes behoorde toe aan [naam 1] . Er zijn aanwijzingen dat het vermogen van [naam 1] van misdrijf afkomstig is en dat de verdachte na het overlijden van [naam 1] handelingen heeft verricht ten aanzien van de Mercedes. [naam 1] is niet voor witwassen of onderliggende gronddelicten vervolgd en de in artikel 6 lid 2 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) neergelegde onschuldpresumptie staat eraan in de weg dat postuum de schuld van [naam 1] aan een strafbaar feit wordt vastgesteld. Daarvan zou sprake zijn als zou worden vastgesteld dat de Mercedes uit misdrijf afkomstig is, waarbij de mogelijkheid dat dit misdrijf een door [naam 1] gepleegd strafbaar feit is niet ondenkbeeldig zou zijn.
3.4.2
Op deze overwegingen heeft het hof gebaseerd dat het “verder geen oordeel kan en zal geven aangaande de al dan niet criminele herkomst van het vermogen van [naam 1] en de hier in geding zijnde Mercedes”. Het hof heeft de verdachte vervolgens vrijgesproken van, kort gezegd, het witwassen van de Mercedes. Daarmee heeft het hof, nog los van wat in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.8 tot en met 2.18 naar voren is gebracht over artikel 6 lid 2 EVRM Pro
,miskend wat onder 3.3 is vooropgesteld. Het hof had slechts te beoordelen of de Mercedes als zodanig uit enig misdrijf afkomstig was en niet of [naam 1] persoonlijk in verband daarmee een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6712, rechtsoverweging 7.2.)
3.5
Het cassatiemiddel slaagt.
4. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
4.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde, voor zover deze inhoudt, kort gezegd, dat de verdachte twee horloges heeft witgewassen.
4.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.3 en 3.5.
5. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het in zaak A onder 1 tenlastegelegde feit en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt de beroepen voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
23 juni 2026.