Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:956

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
23/04888
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. XI lid 1 VriendschapsverdragArt. XI lid 2 VriendschapsverdragArt. VII lid 1 VriendschapsverdragArtikel 6 lid 1 Landsverordening dividendbelastingArtikel 6 lid 2 letter b Landsverordening dividendbelasting
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid Arubaanse dividendbelasting ondanks non-discriminatieverdrag met VS

Belanghebbende, een Arubaanse naamloze vennootschap, betwistte de heffing van 10% dividendbelasting over een dividenduitkering aan haar Amerikaanse moedermaatschappij (LLC). Zij voerde aan dat artikel XI van het Vriendschapsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van 1956 een hogere belastingheffing verbiedt en dat het nultarief van toepassing zou moeten zijn.

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie oordeelde dat de LLC zich niet zelf bezighoudt met een op winst gericht streven binnen Aruba, maar dat de activiteiten door belanghebbende worden verricht. Het Hof concludeerde dat de fiscale behandeling niet discriminerend is en dat artikel XI lid 2 niet rechtstreekse werking heeft.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de LLC geen zelfstandige ondernemingsactiviteit binnen Aruba verricht, zodat artikel XI lid 1 niet van toepassing is. Ook wijst de Hoge Raad het beroep af dat artikel XI lid 2 directe werking zou hebben. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard, waarmee de dividendbelastingheffing blijft gehandhaafd.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de Arubaanse dividendbelastingheffing.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/04888
Datum19 juni 2026
ARREST
in de zaak van
[X] N.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de MINISTER VAN FINANCIËN VAN ARUBA
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 14 november 2023, nr. AUA2021H00143 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (nr. AUA202001587) betreffende een op aangifte afgedragen bedrag aan dividendbelasting.

1.Geding in cassatie

1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.P. Ruiter, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Dit geschrift is door de Hoge Raad per abuis tevens aangemerkt als een voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
1.2
Op 12 juli 2024 heeft Advocaat-Generaal P.J. Wattel geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2] Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
Belanghebbende, een naamloze vennootschap, is opgericht naar Arubaans recht en gevestigd in Aruba. Zij exploiteert onder meer een schoonheidssalon, saunagelegenheid en massagefaciliteit en handelt in massagebenodigdheden.
2.2
Alle aandelen in belanghebbende worden gehouden door een naar Amerikaans recht opgerichte en in de Verenigde Staten gevestigde vennootschap (hierna: de LLC).
2.3
Op 31 augustus 2017 heeft belanghebbende een dividend uitgekeerd aan de LLC. Belanghebbende heeft ter zake van de dividenduitkering naar het in artikel 6, lid 1, van de Landsverordening dividendbelasting (hierna: de Landsverordening) voorgeschreven tarief van 10 procent Arubaanse dividendbelasting ingehouden en afgedragen.

3.De oordelen van het Hof

3.1
Voor het Hof was, voor zover in cassatie van belang, in geschil of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van de hiervoor in 2.3 bedoelde dividendbelasting. Daartoe heeft belanghebbende onder meer aangevoerd dat artikel XI, lid 1 dan wel lid 2, van het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van 27 maart 1956 [3] (hierna: het Verdrag) aan heffing van Arubaanse dividendbelasting over het door belanghebbende uitgekeerde dividend in de weg staat, dan wel voor die uitkering het in artikel 6, lid 2, letter b, van de Landsverordening bedoelde nultarief geldt.
3.2
Artikel XI van het Verdrag luidt, voor zover van belang, als volgt:
“1. Onderdanen en vennootschappen van de ene Partij zullen binnen het grondgebied van de andere Partij, en onderdanen en vennootschappen van de ene Partij, die zich binnen het grondgebied van de andere Partij bezighouden met handel of een ander op winst gericht streven, of werkzaam zijn op het gebied van wetenschap, onderwijs, godsdienst of liefdadigheid, zullen niet worden onderworpen aan drukkender belastingen, renten en heffingen geheven van of gelegd op inkomsten, vermogen, transacties, werkzaamheden of enig ander object, of aan drukkender vereisten ten aanzien van de heffing en inning daarvan, dan waaraan onderdanen en vennootschappen van die andere Partij worden onderworpen.
2. Met betrekking tot onderdanen van de ene Partij, die noch woonachtig zijn, noch zich bezighouden met handel of een ander op winst gericht streven binnen het grondgebied van de andere Partij, en met betrekking tot vennootschappen van de ene Partij, welke zich niet bezighouden met handel of een ander op winst gericht streven binnen het grondgebied van de andere Partij, zal die andere Partij er naar streven, in het algemeen het beginsel omschreven in het eerste lid van dit artikel toe te passen.”
3.3
Het Hof heeft de hiervoor in 3.1 bedoelde vraag op de volgende gronden ontkennend beantwoord.
3.3.1
Het Hof is bij de beoordeling of is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel XI, lid 1, van het Verdrag, met name de voorwaarde dat sprake is van een op winst gericht streven van de inwoner van de ene partij binnen het grondgebied van de andere partij, te rade gegaan bij artikel VII, lid 1, van het Verdrag waarin “alle op winst gerichte activiteit” wordt aangeduid als “zakelijke activiteit”. Het Hof heeft daarbij gewezen op de volgende delen van die bepaling:
“Onderdanen en vennootschappen van de ene Partij zullen binnen het grondgebied van de andere Partij nationale behandeling genieten bij alle op winst gerichte activiteit (...) (zakelijke activiteit), hetzij dat deze rechtstreeks wordt uitgeoefend,(...), hetzij door middel van elke andere wettelijk toegelaten rechtsvorm. Bijgevolg zal het aan die (...) vennootschappen binnen dat grondgebied zijn geoorloofd: (a) (...) vestigingen, welke geschikt zijn voor de uitoefening van hun bedrijf, op te richten en in stand te houden; (b) (...) vennootschappen op te richten overeenkomstig de algemene wettelijke bepalingen van die andere Partij op het stuk van vennootschappen, en het overwegend belang te verwerven in vennootschappen van die andere Partij en (c) ondernemingen, welke zij hebben gevestigd of verworven, te beheersen en te besturen.”
Volgens het Hof vallen de (middellijke) zakelijke activiteiten van de LLC binnen het grondgebied van Aruba onder de zakelijke activiteiten zoals bedoeld in artikel XI, lid 1, van het Verdrag, waarbij het Hof mede in aanmerking heeft genomen dat het aannemelijk acht dat de LLC actief het marktbeleid van belanghebbende bepaalt.
3.3.2
Naar het oordeel van het Hof slaagt het beroep van belanghebbende op artikel XI, lid 1, van het Verdrag echter niet. Volgens het Hof dient de in de situatie van belanghebbende en de LLC toe te passen nationale behandeling te zijn de fiscale behandeling die een dividenduitkering door belanghebbende ten deel zou vallen in Aruba, indien haar moedermaatschappij aan wie het dividend wordt uitgekeerd, een naar Arubaans recht opgerichte, feitelijk in de Verenigde Staten gevestigde en, – naar de Hoge Raad begrijpt – na (statutaire) zetelverplaatsing overeenkomstig de Landsverordening zetelverplaatsing rechtspersonen [4] , door Amerikaans recht beheerste vennootschap zou zijn geweest. In dat geval zou de moedermaatschappij vanwege haar feitelijke én statutaire vestigingsplaats in de Verenigde Staten niet de deelnemingsvrijstelling deelachtig worden, zodat in die situatie ook niet met succes een beroep op het nultarief voor de dividendbelasting kan worden gedaan. Van een verboden verschil in fiscale behandeling op grond van nationaliteit is daarom geen sprake, aldus het Hof.
3.3.3
Het Hof heeft ten slotte geoordeeld dat het bepaalde in artikel XI, lid 2, van het Verdrag zich niet leent voor rechtstreekse werking.

4.Beoordeling van de middelen

4.1
Middel I is gericht tegen het hiervoor in 3.3.2 weergegeven oordeel van het Hof. Het middel betoogt dat de LLC moet worden vergeleken met een in Aruba gevestigde en door Arubaans recht beheerste moedermaatschappij. Als moet worden vergeleken met een in de Verenigde Staten gevestigde moedermaatschappij, dan moet volgens het middel in die vergelijking een moedermaatschappij beheerst door Arubaans recht worden betrokken.
4.2
Dit middel gaat, evenals het Hof in zijn bestreden oordeel, ervan uit dat de LLC zich binnen het grondgebied van Aruba bezighoudt met handel of een ander op winst gericht streven als bedoeld in artikel XI, lid 1, van het Verdrag.
4.3.1
Dat uitgangspunt wordt evenwel in het verweerschrift terecht bestreden.
4.3.2
Artikel XI, lid 1, van het Verdrag vereist dat de vennootschap van de ene partij zich binnen het grondgebied van de andere partij bezighoudt met handel of een ander op winst gericht streven. Het is niet in overeenstemming met de tekst van die bepaling om een activiteit die niet door de betrokken vennootschap zelf, al dan niet door gebruikmaking van een vaste inrichting, wordt uitgeoefend, maar door een dochtermaatschappij van deze vennootschap – zoals in dit geval belanghebbende –, aan die vennootschap toe te rekenen. Uit de toelichting of elders uit het Verdrag blijkt niet van een gemeenschappelijke, van de tekst afwijkende bedoeling van de verdragsluitende partijen.
De toekenning in artikel VII, lid 1, van het Verdrag aan vennootschappen van de ene partij, van het recht op nationale behandeling binnen het grondgebied van de andere partij bij alle, hetzij rechtstreekse hetzij middellijke, op winst gerichte activiteit, ziet – zoals uiteengezet in onderdeel 10.9 van de conclusie van de Advocaat-Generaal – op gelijke toegang van die vennootschappen tot de markt van de andere partij. Anders dan het Hof heeft geoordeeld, komt daaraan geen betekenis toe voor de uitleg van het bepaalde in het op belastingheffing betrekking hebbende artikel XI, lid 1, van het Verdrag.
4.3.3
Vast staat dat de hiervoor in 2.1 genoemde activiteiten binnen het grondgebied van Aruba niet door de LLC zelf maar door belanghebbende worden verricht. In het verweerschrift is terecht aangevoerd dat de door het Hof aannemelijk geachte activiteit van de LLC – het bepalen van het marktbeleid van belanghebbende – niet kan worden aangemerkt als een zich binnen het grondgebied van de andere partij bezighouden met handel of een ander op winst gericht streven als bedoeld in artikel XI, lid 1, van het Verdrag. Het bepalen van het marktbeleid van belanghebbende behelst immers niet een eigen – kort gezegd – ondernemingsactiviteit van de LLC, maar heeft betrekking op de ondernemingsactiviteit van haar dochtermaatschappij, belanghebbende. Bovendien speelt het bepalen van het marktbeleid van belanghebbende zich niet af binnen het grondgebied van Aruba.
4.3.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.3.2 en 4.3.3 is overwogen, is artikel XI, lid 1, van het Verdrag niet van toepassing op de LLC. Dat brengt mee dat het Hof terecht heeft geoordeeld, wat er zij van de daartoe gebezigde gronden, dat die bepaling niet in de weg staat aan heffing van dividendbelasting naar een tarief van 10 procent over het door belanghebbende uitgekeerde dividend. Middel I kan daarom niet tot cassatie leiden.
4.4
Middel II richt zich tegen het hiervoor in 3.3.3 weergegeven oordeel van het Hof met het betoog dat artikel XI, lid 2, van het Verdrag voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk is opgesteld om rechtstreekse werking te hebben en dat die bepaling de onderhavige heffing van dividendbelasting verhindert. Het middel faalt op de gronden vermeld in onderdelen 10.16 en 10.17 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.

5.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.

Voetnoten

3.Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika van 27 maart 1956, Trb. 1956, 40.
4.Landsverordening zetelverplaatsing rechtspersonen, AB 1996 no. 64, zoals gewijzigd bij Landsverordening van 27 november 2008 houdende nieuwe regels ter zake van de verplaatsing van de zetel van bepaalde rechtspersonen naar en vanuit Aruba, AB 2008 no. 63.