Conclusie
1.Overzicht
cassatietwee middelen voor, waarvan middel I twee grieven omvat. Middel I klaagt ten eerste dat LLC voor de toepassing van de non-discriminatieregel in art. XI(1) Verdrag niet moet worden vergeleken met een in de VS gevestigde moeder maar met een in Aruba gevestigde moeder omdat art. XI(1) ‘vennootschappen van de ene Partij’ gelijkstelt met ‘vennootschappen van de andere Partij’, waaruit volgt dat LLC (vennootschap van de ene Partij) moet worden vergeleken met een in Aruba gevestigde moeder (vennootschap van de andere Partij). Middel I stelt verder dat
alsLLC al met een in de VS gevestigde moeder vergeleken zou moeten worden, dan met een moeder die beheerst wordt door Arubaans recht (voor wie het nultarief geldt) en niet met een moeder die beheerst wordt door Amerikaans recht.
Departemento di Impuestostelt namens de Inspecteur bij verweer primair dat niet aan de voorwaarden van art. XI(1) Verdrag is voldaan omdat (i) LLC zich niet bezighoudt met handel of ander op winst gericht streven en (ii) dividenduitkeringen niet onder deze bepaling vallen. Dit verweer lijkt mij mede een voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel in te houden. Voor het geval u de toegangsvoorwaarden van art. XI(1) Verdrag wel vervuld acht, meent de Directeur met het Hof dat LLC vergeleken moet worden met een naar Arubaans opgerichte, maar door Amerikaans recht beheerste en in de VS gevestigde holding. Ad art. XI(2) Verdrag onderschrijft de Directeur ’s Hofs oordeel dat deze bepaling niet rechtstreeks werkt. Ook als dat wél het geval zou zijn, meent de Directeur (i) subsidiair dat dividenduitkeringen niet onder deze bepaling vallen en (ii) meer subsidiair dat de Arubaanse overheid slechts hoeft te ‘streven’ naar een gelijke behandeling, hetgeen de vrijheid impliceert om niet gelijk te behandelen. Ook deze subsidiaire en meer subsidiaire standpunten houden mijns inziens een voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep in.
holdingvan de belanghebbende niet binnen de werkingssfeer van art. XI(1) Verdrag valt, hoezeer LLC zich mogelijk ook bemoeit met belanghebbendes marktbeleid. De nationale behandeling die vennootschappen van de ene partij volgens art. VII(1) binnen het grondgebied van de andere partij genieten bij alle op winst gerichte activiteit, ‘hetzij rechtstreeks uitgeoefend, hetzij door middel van elke andere wettelijke toegelaten rechtsvorm’, ziet mijns inziens op markt- en bedrijvigheidstoegang; niet op belastingen. Daarover gaat art. XI, dat mijns inziens als
specialismoet worden beschouwd. Volgens art. VII(1) houdt de daar bedoelde nationale behandeling immers in dat het vennootschappen van de VS is geoorloofd om op Aruba bedrijfsvestigingen te openen en te drijven, vennootschappen naar Arubaans recht op te richten, beheersende belangen te verwerven in Arubaanse vennootschappen en op Aruba ondernemingen te beheersen en te besturen. Dat gaat over markttoegang; niet over belastingen. Art. XI Verdrag geeft specifieke non-discriminatieregels ter zake van belastingen en andere heffingen. Dat volgt ook uit punt 12 van het Protocol, dat bepaalt dat het verdrag niet mag worden uitgelegd als in enig opzicht vervangende het belastingverdrag met de VS van 1948. [1] Op basis van de non-discriminatiebepaling van dat – in 1992 vervangen – belastingverdrag, dat mijns inziens nog steeds van belang is bij de uitleg van het Vriendschapsverdag omdat art. 12 Protocol Pro van het Vriendschapsverdrag ernaar verwijst, kan de belanghebbende geen aanspraak maken op het nultarief.
holding-bezigheid (hoe moeiend ook) binnen de werkingssfeer van art. XI(1) Verdrag valt, dat mijns inziens echter alleen op eigen actief inkomen van LLC ziet, al is geen vaste inrichting, vastgoed of vaste vertegenwoordiger van LLC op Aruba vereist. De door het Hof aannemelijk geachte bemoeienis van LLC met belanghebbendes marktbeleid speelde zich overigens kennelijk ook niet af op het grondgebied van Aruba, zoals vereist door art. XI(1) Verdrag. Op winst gericht streven binnen het grondgebied van de andere verdragspartij impliceert een
eigenfysieke aanwezigheid van die activiteit op dat grondgebied, ook al hoeft dat geen v.i. of vastgoed te zijn.
holdingvan belanghebbendes aandelen wèl als actief inkomen genererend binnen de werkingssfeer van art. XI(1) Verdrag valt, meen ik met het Hof dat het verbod in art. XI(1) Verdrag alleen discriminatie naar oprichtingsjurisdictie verbiedt. De definitie van ‘vennootschappen van een Partij’ in art. XXIII(3) impliceert dat voor de toepassing van art. XI(1) vennootschappen opgericht in de ene verdragsstaat moeten worden vergeleken met vennootschappen opgericht in de andere verdragsstaat onder overigens gelijke omstandigheden. Om te beoordelen of LLC wordt gediscrimineerd zoals verboden in art. XI(1), moet zij dan worden vergeleken met een vennootschap die niet in de VS, maar in Aruba is opgericht (op basis van dit verschil in oprichtingsrecht mag LLC niet ongunstiger geheven worden), en net als LLC feitelijk gevestigd is in de VS en beheerst wordt door Amerikaans recht. Dat heeft het Hof gedaan. LLC wordt niet anders belast op grond van haar oprichtingsrecht, maar op grond van haar vestigingsplaats en bijgevolg haar niet-onderworpenheid in Aruba. Dat verschil in behandeling wordt mijns inziens niet verboden door art. XI(1).
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
De feiten
Trb. 1956, 40 (het Verdrag). De belanghebbende meent van wel omdat de uitkering aan LLC aan hogere dividendbelasting is onderworpen (10%) dan een uitkering aan een in Aruba gevestigde, naar Arubaans recht opgerichte vennootschap zou zijn geweest (nultarief in deelnemingsverhoudingen).
Daarentegen is een Arubaanse NV of AVV die haar statutaire zetel naar een ander land heeft verplaatst op grond van de Landsverordening zetelverplaatsing rechtspersonen, niet meer als zodanig onderworpen aan het Arubaanse recht met als gevolg dat de vestigingsplaatsfictie niet meer van toepassing is.[cursivering GHvJ]. (…)”
3.Het geding in cassatie
Departamento di Impuestovan Aruba heeft namens de Inspecteur, die kennelijk namens de Minister optreedt (zie onderdeel 10.A hieronder), een verweerschrift ingediend dat mijns inziens mede een voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep inhoudt. De belanghebbende heeft gerepliceerd en heeft in het voorwaardelijke incidentele beroep het standpunt ingenomen dat dat beroep niet-ontvankelijk is. De directeur heeft gedupliceerd in het principale beroep en gerepliceerd in het incidentele beroep. De belanghebbende heeft gedupliceerd in het incidentele beroep.
Departemento di Impuestonamens de Inspecteur primair dat niet aan alle voorwaarden van art. XI(1) Verdrag is voldaan omdat (i) LLC slechts een deelneming in de belanghebbende houdt en zich niet zelf met handel of ander op winst gericht streven binnen Aruba bezighoudt en (ii) dividenduitkeringen niet onder ‘inkomsten, vermogen, transacties, werkzaamheden of enig ander object’ vallen. [7] Ik meen dat dit verweer een voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel inhoudt.
note verbalevan 31 december 1985 is geïnformeerd over de statuswijziging van Aruba. Bij deze
notewas een overzicht gevoegd van de op dat moment geldende verdragen tussen het Koninkrijk en de VS, waarin ook het litigieuze Vriendschapsverdrag was opgenomen.
5.Het Arubaanse recht (teksten 2017)
6.Het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart met de VS
Ontstaan, achtergrond en karakter van het Verdrag
Stb.I 464) te vervangen.”
investment incomevalt zoals huur, dividenden, interest en royalties. [36] Zulke inkomsten worden in de bronstaat veelal onderworpen aan een bronheffing op brutobasis, terwijl toepassing van het beginsel uit lid 1 zou betekenen dat geheven zou moeten worden op nettobasis. Hij acht het minstens twijfelachtig dat een bronstaat daarvoor zou kiezen.
7.Het belastingverdrag 1948 tussen het Koninkrijk en de VS
Gelijke behandeling van onderdanen van de beide Staten.
exclusievespecialis bedoeld is of dat art. XI(1) Vriendschapsverdrag wel betekenis heeft voor door het belastingverdrag bestreken terreinen voor zover het niet in strijd komt met het belastingverdrag 1948. In het laatste geval zou art. XI(1) Vriendschapsverdrag verdergaande non-discriminatie kunnen inhouden dan art. XXV(3) van het belastingverdrag 1948. Van Raad schreef daarover (ik laat voetnoten weg): [51]
carve outvan belastingmaatregelen uit het GATS-regime bilateraal te kunnen herroepen ter zake van specifieke belastingmaatregelen waarvan beide partijen menen dat die niet beoordeeld moeten worden onder de non-discriminatiebepaling in het belastingverdrag. Dat duidt mijns inziens op exclusieve specialiteit van de non-discriminatiebepaling in het belastingverdrag als het om belastingmaatregelen gaat. Wat daarvan zij, het belastingverdrag 1992 lijkt mij niet relevant voor de uitleg van art. XI(1) Vriendschapsverdrag omdat art. 12 Protocol Pro bij dat verdrag voorrang geeft aan het voorafgaande en anders luidende belastingverdrag 1948.
binnenhet Vriendschapsverdrag art. XI(1) de fiscale exclusieve
specialisis ten opzichte van de
generalisin art. VII over nationale behandeling bij markttoegang.
8.Rechtspraak
9.Rechtstreekse werking
Rookverbod-arrest [58] formuleerde uw eerste kamer het volgende kader voor de beoordeling van de vraag of een verdragsbepaling rechtstreeks werkt (een ieder verbindt) in de zin van art. 93 en Pro 94 Grondwet:
10.Bespreking van de middelen
A: procedurele voorvragen: wie is bevoegd tot verweer en (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep en staat incidenteel cassatieberoep open?
Departemento di Impuesto, zulks namens de Inspecteur. Ik verwijs naar de onderdelen 5.1 t/m 5.4 van de conclusie in die zaak, die u met toepassing van art. 81(1) Wet RO heeft afgedaan. [61]
holding-bezigheid van LLC niet binnen de werkingssfeer van art. XI(1) Verdrag valt, hoezeer zij zich mogelijk ook bemoeit met belanghebbendes marktbeleid. De nationale behandeling die vennootschappen van de ene partij volgens art. VII(1) binnen het grondgebied van de andere partij genieten bij alle op winst gerichte activiteit, ‘hetzij rechtstreeks uitgeoefend, hetzij door middel van elke andere wettelijke toegelaten rechtsvorm’, ziet mijns inziens op markttoegang en marktgelijkheid; niet op belastingen, waarover de
specialisart. XI gaat. Volgens art. VII(1) houdt de daar bedoelde nationale behandeling immers in dat het vennootschappen van de VS is geoorloofd om op Aruba bedrijfsvestigingen te openen en te drijven, vennootschappen naar Arubaans recht op te richten, beheersende belangen te verwerven in Arubaanse vennootschappen en op Aruba ondernemingen te beheersen en te besturen. Dat gaat over markt- en bedrijvigheidstoegang. Een vennootschap van één van beide partijen mag in haar toegang tot economische activiteit op het grondgebied van de andere partij niet belemmerd worden op de grond dat haar hoofdhuis in de andere Staat staat (als het om een filiaal gaat) of op de grond dat haar aandeelhouder(s) in de andere Staat ingezeten zijn (als het om een vennootschap gaat). Art. XI Verdrag geeft vervolgens specifieke non-discriminatieregels ter zake van belastingen en andere heffingen. Punt 12 van het Protocol bepaalt bovendien dat het verdrag niet mag worden uitgelegd als in enig opzicht vervangende het belastingverdrag met de VS van 1948. [64] Zoals boven (onderdeel 7) bleek, meen ik dat die protocolbepaling exclusieve voorrang geeft aan het belastingverdrag voor de onderwerpen die in het belastingverdrag worden geregeld, waaronder fiscale non-discriminatie. Op basis van het bovenstaande valt mijns inziens niet in te zien dat de term ‘zich bezighouden met handel of een ander op winst gericht streven’ in art. XI(1) ook de enkele
holdingvan een deelneming zou omvatten, hoezeer het in casu mogelijk om een ‘moeiende’ of ‘schakelende’ holding zou gaan. Het Hof meende dat LLC zich ‘middellijk’ via de belanghebbende bezighoudt met handel of een ander op winst gericht streven in Aruba. De exploitatie van de schoonheidssalon, de sauna en de massagefaciliteit en de handel in massagebenodigdheden lijken aldus toegerekend te worden aan LLC. Dat lijkt mij onverenigbaar met de verdragstekst, zeker in de temporele context van 1956. Het gaat er om wat LLC zélf in Aruba doet, niet om wat de belanghebbende daar doet. Ten overvloede: het door het Hof aannemelijk geachte bepalen van belanghebbendes marktbeleid door LLC vindt bovendien kennelijk niet plaats op het grondgebied van Aruba, maar in de VS. Het handel drijven of naar winst streven ‘binnen het grondgebied van de andere Partij’ impliceert een zekere fysieke aanwezigheid van LLC’s activiteiten in Aruba. Die is niet gesteld of gebleken.
holding-bezigheid (hoe moeiend ook) binnen de werkingssfeer van art. XI(1) Verdrag valt, dat echter alleen op eigen actief inkomen van LLC ziet, al is geen vaste inrichting, vastgoed of vaste vertegenwoordiger op Aruba vereist.
holdingvan belanghebbendes aandelen wèl binnen de werkingssfeer van art. XI(1) Verdrag valt, stelt belanghebbendes middel I de vraag aan de orde welke vergelijkingsmaatstaf geldt bij de toepassing van art. XI(1) en (2) Verdrag. Er kunnen vier gevallen worden onderscheiden waarin een Arubaanse vennootschap een dividend uitkeert aan een 100%-aandeelhouder:
Rookverbod-arrest (zie 9.1 hierboven). Art. XI(2) zelf bepaalt niet dat het geen rechtstreekse werking heeft. Diens totstandkomingsgeschiedenis zegt bij mijn weten evenmin expliciet dat het niet rechtstreeks werkt. Tijdens de parlementaire behandeling van de goedkeuring van het Verdrag is slechts in het algemeen opgemerkt dat rechtstreekse werking van bepalingen van het Verdrag, ondanks diens algemene en beschrijvende karakter, niet uitgesloten is en dat dit vooral het geval zal zijn bij de non-discriminatiebepalingen (zie 6.3 en 6.4 hierboven).