Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:957

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
24/03953
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225, lid 2, Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest over parkeerbelasting bij laden en lossen pakketbezorger

Belanghebbende was op 28 januari 2022 werkzaam als pakketbezorger en parkeerde zijn auto op een locatie in Rotterdam waar parkeerbelasting verschuldigd was. Omdat geen parkeerbelasting was betaald, legde de gemeente Rotterdam een naheffingsaanslag op.

Het Hof Den Haag oordeelde dat het stilstaan van de auto viel onder het begrip 'onmiddellijk laden en lossen', omdat belanghebbende op die dag 89 pakketten van verschillende omvang en gewicht bezorgde. Het Hof vond dat het totaal van de pakketten zodanig was dat vervoer per auto noodzakelijk was, waardoor geen parkeerbelasting verschuldigd was.

De Hoge Raad vernietigt dit oordeel en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor nader onderzoek naar de omvang en het gewicht van de pakketten tijdens het stilstaan van de auto. De Hoge Raad benadrukt dat de stelplicht en bewijslast hiervoor bij belanghebbende liggen.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en verklaart het cassatieberoep gegrond. De zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen voor nader onderzoek naar omvang en gewicht van de pakketten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/03953
Datum19 juni 2026
ARREST
in de zaak van
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ROTTERDAM
tegen
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 11 september 2024, nr. BK-23/719 [1] , op het hoger beroep van de heffingsambtenaar tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 22/4949) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.

1.Geding in cassatie

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
Belanghebbende was op 28 januari 2022 werkzaam als pakketbezorger. De auto van belanghebbende stond op die dag om 21:02 uur aan de [a-straat] in Rotterdam op een locatie die is aangewezen als een plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting kan worden geparkeerd, terwijl op de genoemde datum en het genoemde tijdstip geen parkeerbelasting was voldaan. Om die reden is aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd.
2.2
Ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag was de heffing van parkeerbelasting in de gemeente Rotterdam gereguleerd in de gemeentelijke Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen 2022 (hierna: de Verordening). Volgens artikel 1 van Pro de Verordening wordt onder parkeren verstaan:
“gedurende een aaneengesloten periode doen of laten stilstaan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het (…) onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;”
Deze bepaling is vrijwel gelijkluidend aan artikel 225, lid 2, van de Gemeentewet.

3.De oordelen van het Hof

3.1
Voor het Hof was in geschil of op de hiervoor in 2.1 bedoelde datum, toen de auto op de daar vermelde plaats stil stond, sprake was van onmiddellijk laden en lossen of van parkeren als bedoeld in de Verordening.
3.2
Het Hof heeft vooropgesteld dat onder het begrip ‘onmiddellijk laden en lossen’ moet worden verstaan het bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het moet gaan om zaken van een zodanige omvang of gewicht dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht. Daarbij heeft het Hof verwezen naar de arresten van de Hoge Raad van 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:445 en 12 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2760.
3.3
Voor het Hof was niet in geschil dat de auto uitsluitend heeft stilgestaan voor het uit de auto halen van pakketten, het lopen naar de adressen waar de pakketten moesten worden afgegeven, het afleveren van de pakketten en het teruglopen naar de auto.
3.4
Het Hof heeft vastgesteld dat belanghebbende die dag 89 pakketten moest bezorgen die kleding bevatten en verschilden van zakken tot dozen van verschillende omvang en gewicht. Uit het door belanghebbende ingediende rittenoverzicht volgt volgens het Hof dat belanghebbende omstreeks het tijdstip van het hiervoor in 2.1 genoemde stilstaan van zijn auto op tien adressen in de [a-straat] pakketten heeft afgeleverd.
3.5
Het Hof heeft geoordeeld dat hierbij sprake is van ‘laden en lossen’. Volgens het Hof stelt de Hoge Raad in de hiervoor in 3.2 genoemde arresten niet de eis dat het begrip ‘onmiddellijk laden en lossen’ per parkeerincident of bezorgadres moet worden beoordeeld. Hoewel zou kunnen worden betoogd dat de pakketten per stuk wellicht van enigszins beperkte omvang en gewicht zijn, is het totaal van de pakketten die belanghebbende op die dag moest bezorgen van zodanige omvang of gewicht dat deze niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per auto ter plaatse had kunnen worden gebracht, aldus het Hof. Gelet op het grote aantal pakketten dat belanghebbende die dag moest bezorgen (89 stuks) en de omvang daarvan, heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam volgens het Hof niet aannemelijk gemaakt dat een andere wijze van vervoer dan per auto mogelijk was. Het Hof is daarom tot de conclusie gekomen dat belanghebbende tijdens het stilstaan van zijn auto bezig was met ‘onmiddellijk laden en lossen’ in de zin van de hiervoor in 3.2 genoemde arresten, en dat hij als gevolg daarvan op grond van artikel 1 van Pro de Verordening geen parkeerbelasting was verschuldigd.

4.Beoordeling van het middel

4.1
Het middel betoogt onder meer dat het Hof met zijn hiervoor in 3.5 weergegeven oordeel is uitgegaan van een te ruime en dus onjuiste uitleg van het begrip ‘onmiddellijk laden en lossen’. Het middel slaagt op de gronden vermeld in rechtsoverweging 4.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:90.
4.2
De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek wat de omvang en het gewicht was van het pakket dan wel de combinatie van pakketten die belanghebbende heeft bezorgd tijdens het hiervoor in 2.1 genoemde stilstaan van zijn auto. Opmerking verdient dat de stelplicht en de bewijslast hiervoor op belanghebbende rusten.

5.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.