In deze zaak heeft de Hoge Raad op 23 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure die was ingesteld door Richard LE GRAND q.q., curator in het faillissement van Eendracht Gerechtsdeurwaarders & Credit Management B.V., en Rexwinkel B.V. tegen de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). De zaak draait om de vraag wie rechthebbende is op het saldo van de kwaliteitsrekening van Eendracht, waarop een bedrag van € 418.750,64 stond, dat door debiteuren van het CJIB was geïncasseerd. De curator en Rexwinkel stelden dat zij rechthebbenden waren op dit saldo, terwijl het CJIB betoogde dat het saldo aan hen toebehoorde.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechthebbenden op het saldo van de kwaliteitsrekening diegenen zijn ten behoeve van wie geldbedragen op die rekening zijn gestort. Het hof had eerder geoordeeld dat het CJIB rechthebbende was op het saldo, omdat de gelden waren geïncasseerd ten behoeve van het CJIB. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de curator en Rexwinkel niet gerechtigd waren om het saldo op te eisen. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt de curator en Rexwinkel in de kosten van het geding in cassatie.
De uitspraak benadrukt de bescherming van derden die gelden aan een gerechtsdeurwaarder toevertrouwen, en bevestigt dat de kwaliteitsrekening van de deurwaarder een afgescheiden vermogen vormt, dat niet in het faillissement van de deurwaarder valt. De uitspraak is van belang voor de rechtspraktijk, vooral in het kader van faillissementen en de rechten van schuldeisers.