Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:976

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
25/02781
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 AWRArt. 8:109 AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. Voor de cassatieprocedure is griffierecht verschuldigd. Belanghebbende deed een beroep op betalingsonmacht en diende een formulier en brief in ter onderbouwing.

De griffier van de Hoge Raad stelde belanghebbende in de gelegenheid om de betalingsonmacht nader te onderbouwen, maar concludeerde dat deze niet aannemelijk was gemaakt. Ondanks meerdere aanmaningen en een termijnstelling werd het griffierecht niet voldaan.

Belanghebbende gaf aan dat zijn inkomen onvoldoende was om het griffierecht te betalen, maar leverde geen concrete gegevens of bewijsstukken aan. De Hoge Raad oordeelde dat op basis van de aangeleverde informatie niet kon worden geconcludeerd dat het voor belanghebbende onmogelijk of uiterst moeilijk was om het griffierecht te voldoen.

Daarom werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:41, lid 6, eerste volzin, Awb. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en sprak het arrest uit op 19 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en onvoldoende aannemelijke betalingsonmacht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer25/02781
Datum19 juni 2026
ARREST
op het door [X] (hierna: belanghebbende) ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 11 juli 2025, nr. SGR 25/854 V.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

1.1
Belanghebbende heeft met betrekking tot het voor de cassatieprocedure verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht als bedoeld in artikel 29 AWR Pro in samenhang gelezen met artikel 8:109 Awb Pro en artikel 8:41, lid 6, tweede volzin, Awb gedaan.
De griffier van de Hoge Raad (hierna: de griffier) heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld de betalingsonmacht te onderbouwen. [1] Daarop heeft belanghebbende via het webportaal van de Hoge Raad op 29 augustus 2025 een ingevuld “Formulier voor Verklaring afwezigheid vermogen” (met bijlage) ingediend, en op 25 september 2025 een brief aan de griffier doen toekomen.
1.2
Op 1 oktober 2025 heeft de griffier een bericht in het digitale dossier van belanghebbende geplaatst. Daarin is aan belanghebbende meegedeeld dat de betalingsonmacht niet aannemelijk is gemaakt, en dat het heffen van griffierecht wordt voortgezet. Tevens is daarin meegedeeld dat bij niet-tijdige betaling van het griffierecht het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
1.3
De griffier heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 31 oktober 2025 opnieuw gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is wegens onbestelbaarheid teruggezonden aan de Hoge Raad, waarna het stuk bij gewone brief is verzonden naar het adres van belanghebbende. Het griffierecht is niet voldaan.
1.4
De griffier heeft op 4 december 2025 een bericht in het digitale dossier van belanghebbende geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet is betaald. Belanghebbende heeft hierop gereageerd met een in het webportaal van de Hoge Raad geplaatste brief van 22 januari 2026. In die brief heeft belanghebbende – zonder daarbij nadere gegevens of bewijsstukken te verstrekken – erop gewezen dat zijn inkomen niet toereikend is om griffierecht te betalen.
1.5
Met hetgeen belanghebbende in de hiervoor in 1.1 bedoelde stukken heeft aangevoerd, heeft belanghebbende niet een zodanig inzicht verschaft in zijn inkomsten en vermogen in de voor betaling van het verschuldigde griffierecht relevante periode [2] dat aan de hand daarvan kan worden geconcludeerd dat heffing van het volgens de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor belanghebbende onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om beroep in cassatie in te stellen. [3] Hetgeen belanghebbende in zijn hiervoor in 1.4 bedoelde brief heeft aangevoerd, bevat in dit verband geen informatie op grond waarvan moet worden geoordeeld dat belanghebbende ter zake van het niet-betalen van het griffierecht niet in verzuim is geweest.
1.6
Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, eerste volzin, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.

Voetnoten

1.Vgl. HR 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1651.
2.Vgl. HR 20 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:354, rechtsoverweging 2.3.4.
3.Vgl. HR 24 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:743.