ECLI:NL:HR:2026:99

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
25/00774
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot betaling achterstallig loon en rechtsvermoeden arbeidsovereenkomst

In deze zaak heeft de werknemer, die in dienst was bij Meram Burger, een verzoek tot betaling van achterstallig loon ingediend. De werknemer was vanaf 1 juli 2021 in dienst bij Meram Burger tegen een salaris van € 10,50 bruto per uur. In oktober 2022 werd overeengekomen dat de werknemer zou overstappen naar een andere vennootschap, Dizayno, met een hoger salaris. De arbeidsovereenkomst eindigde op 6 april 2023. De werknemer verzocht om betaling van achterstallig loon over de periode van 1 juli 2021 tot en met 6 april 2023. De kantonrechter heeft de verzoeken van de werknemer toegewezen, maar het gerechtshof heeft deze beschikking gedeeltelijk vernietigd en slechts een deel van het loon over de periode van 1 juli 2021 tot en met 31 oktober 2022 toegewezen. Het hof oordeelde dat de werknemer onvoldoende bewijs had geleverd voor de overige maanden. De werknemer heeft cassatie ingesteld, waarbij de Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte de bewijslast bij de werknemer had gelegd en dat het hof onvoldoende gemotiveerd had waarom de werknemer niet in zijn verzoek was geslaagd. De Hoge Raad heeft de beschikking van het gerechtshof vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/00774
Datum23 januari 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[de werknemer],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: de werknemer,
advocaten: W.A. Jacobs en J.C. Zevenberg,
tegen
1. de vennootschap onder firma MERAM BURGER CAFÉ RESTAURANT,
gevestigd te Amsterdam,
2. [verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
3. [verweerder 3],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
hierna gezamenlijk: Meram Burger,
niet verschenen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak 10542864 EA VERZ 23-555 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 13 december 2023;
b. de beschikking in de zaak 200.338.732/01 van het gerechtshof Amsterdam van 10 december 2024, verbeterd bij beschikking van 15 april 2025.
De werknemer heeft tegen de beschikking van het hof van 10 december 2024 beroep in cassatie ingesteld.
Meram Burger heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot vernietiging en verwijzing.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De werknemer is met ingang van 1 juli 2021 op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden van Meram Burger tegen een salaris van € 10,50 bruto per uur.
(ii) Partijen zijn eind oktober 2022 overeengekomen dat de werknemer met ingang van 1 november 2022 zal gaan werken voor Dizayno Home Nederland B.V. (hierna: Dizayno), een andere vennootschap van een van de vennoten van Meram Burger ([verweerder 2]), tegen een salaris van € 13,50 bruto per uur.
(iii) Op 6 april 2023 is de arbeidsovereenkomst geëindigd.
2.2
De werknemer verzoekt in dit geding om Meram Burger, haar vennoten en Dizayno hoofdelijk te veroordelen tot betaling van onder meer achterstallig loon over de periode van 1 juli 2021 tot en met 6 april 2023.
2.3
De kantonrechter heeft alle verweerders veroordeeld tot betaling van onder meer het verzochte achterstallige loon.
2.4
Het hof [1] heeft de beschikking van de kantonrechter vernietigd en het verzoek tot betaling van achterstallig loon van de werknemer gedeeltelijk toegewezen, namelijk alleen voor zover het betreft de periode dat de werknemer in dienst was bij Meram Burger, te weten van 1 juli 2021 tot en met 31 oktober 2022. Wat betreft de hoogte van het loon over die periode heeft het hof het volgende overwogen.
“5.8 Ook het in hoger beroep door [de werknemer] zelf opgegeven aantal gewerkte uren wijkt af van de opgave door Meram via de per maand opgestelde loonstroken, maar ook (en \ nogal fors) van de door [de werknemer] in eerste aanleg geclaimde en door de kantonrechter toegewezen 50 uur per week. Omdat het op de weg van Meram als werkgeefster lag om een juiste urenregistratie bij te houden en over te leggen, dan wel gedetailleerd in te gaan op de (soms beperkte) verschillen tussen beide opgaven, zal het hof, bij gebreke van enige urenregistratie anders dan de achteraf vastgestelde loonstroken, uitgaan van de voldoende gespecificeerde opgave (met begin- en eindtijden per werkdag) van [de werknemer] over de periode 1 januari 2022 tot en met 31 augustus 2022, neerkomend op 135 extra gewerkte uren ad € 10,50 bruto. Het hiermee corresponderende salaris is € 1.417,50 bruto. Dit bedrag zal worden toegewezen en de bestreden beschikking zal ook op dit punt worden vernietigd, voor zover er meer salaris is toegewezen. Door [de werknemer] is geen gespecificeerde urenopgave gedaan over 2021 en over de maanden september en oktober 2022, zodat het hof de vordering over die maanden als onvoldoende onderbouwd en gespecificeerd zal afwijzen, temeer omdat voldoende gebleken is dat het opgegeven urental van 50 per week nagenoeg niet is gehaald en daarmee als gemiddelde evident onjuist is.”

3.Beoordeling van het middel

3.1.1
Onderdeel I van het middel is gericht tegen de gedeeltelijke afwijzing (in rov. 5.8) van het verzoek tot betaling van achterstallig loon over de periode van 1 juli 2021 tot en met 31 december 2021 en de maanden september en oktober 2022 op de grond dat de werknemer de vordering over die maanden onvoldoende heeft onderbouwd en gespecificeerd. Het onderdeel klaagt dat het hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in art. 7:610b BW. Het onderdeel wijst erop dat de werknemer met betrekking tot de gemiddelde arbeidsomvang een beroep heeft gedaan op die bepaling, en heeft gesteld dat de arbeidsomvang gedurende de gehele duur van de arbeidsovereenkomst gelijk is geweest. Op grond van art. 7:610b BW wordt vermoed dat de arbeidsomvang vóór 1 januari 2022 en na 31 augustus 2022 gelijk is aan de gemiddelde arbeidsomvang in de periode 1 januari 2022 tot en met 31 augustus 2022, aldus het onderdeel. Het is vervolgens aan de werkgever om tegenbewijs te leveren. Door te overwegen dat de werknemer met betrekking tot deze periode zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd en gespecificeerd, heeft het hof de bewijslast ten onrechte op de werknemer gelegd dan wel zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, aldus het onderdeel.
3.1.2
Art. 7:610b BW bepaalt dat indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, de bedongen arbeid in enige maand wordt vermoed een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden. Een geslaagd beroep op het rechtsvermoeden van art. 7:610b BW heeft tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst een bepaalde arbeidsomvang inhoudt. Met het weerlegbare rechtsvermoeden van art. 7:610b BW is beoogd de positie van de werknemer te versterken en wordt de werkgever gestimuleerd om onzekere elementen in de aan te gane arbeidsverhouding te voorkomen. [2]
3.1.3
Hoewel art. 7:610b BW voor de vermoede omvang van de arbeid aanknoopt bij de gemiddelde omvang van de arbeid in de drie maanden onmiddellijk voorafgaand aan de periode waarop het verzoek tot vaststelling van het aantal arbeidsuren ziet, blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de bepaling dat, indien deze periode niet representatief is, ook een andere, meer representatieve periode dan de in de wet opgenomen periode van drie maanden in aanmerking kan worden genomen. [3] Gelet hierop, en gelet op de strekking van art. 7:610b BW (zie hiervoor in 3.1.2), moet worden aangenomen dat de gekozen referteperiode niet noodzakelijkerwijs onmiddellijk behoeft vooraf te gaan aan de periode waarop het verzoek ziet, maar ook gelegen kan zijn in een eerdere of latere fase van het dienstverband.
3.1.4
De werknemer heeft in de feitelijke instanties een beroep gedaan op art. 7:610b BW (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.8-3.9). Met het oordeel van het hof dat het op de weg van de werknemer lag om de arbeidsomvang in de periode 1 juli 2021 tot en met 31 december 2021 en de maanden september en oktober 2022 voldoende te onderbouwen en te specificeren, heeft het hof, in het licht van het beroep van de werknemer op art. 7:610b BW en gelet op hetgeen hiervoor in 3.1.2 en 3.1.3 is overwogen, hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. De hiervoor in 3.1.1 weergegeven klacht van onderdeel I slaagt derhalve.
3.2
Onderdeel II van het middel en de klacht van onderdeel III over de wettelijke verhoging zijn ingetrokken, zodat daarop niet meer behoeft te worden beslist.
3.3
Het resterende deel van onderdeel III klaagt dat het hof in zijn beschikking van 10 december 2024 heeft nagelaten Meram Burger te veroordelen tot vergoeding van de verzochte wettelijke rente over het achterstallige loon. Deze klacht slaagt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.21-3.29.
3.4
De overige klachten van onderdeel I en onderdeel IV behoeven geen behandeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 10 december 2024;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt Meram Burger in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de werknemer begroot op € 375,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
23 januari 2026.

Voetnoten

1.Gerechtshof Amsterdam 10 december 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3573, verbeterd en aangevuld op de voet van art. 31 en 32 Rv bij beschikking van 15 april 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1003.
2.HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1802, rov. 3.2.1.
3.Kamerstukken II 1997/98, 25263, nr. 33, p. 3; Kamerstukken II 2018/19, 35074, nr. 3, p. 22.