Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
23 januari 2026.
Hoge Raad
De werknemer was sinds 1 juli 2021 in dienst bij Meram Burger en later vanaf 1 november 2022 bij Dizayno Home Nederland B.V. De arbeidsovereenkomst eindigde op 6 april 2023. De werknemer vorderde betaling van achterstallig loon over de gehele periode van 1 juli 2021 tot 6 april 2023, waarbij hij Meram Burger, haar vennoten en Dizayno hoofdelijk aansprakelijk stelde.
De kantonrechter kende de loonvordering toe, maar het hof vernietigde dit deels en kende alleen loon toe over de periode dat de werknemer bij Meram Burger werkte tot 31 oktober 2022. Het hof wees de loonvordering over de periode 1 juli 2021 tot en met 31 december 2021 en september-oktober 2022 af wegens onvoldoende specificatie van de gewerkte uren door de werknemer.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte de bewijslast bij de werknemer heeft gelegd en onvoldoende rekening heeft gehouden met het rechtsvermoeden van arbeidsomvang uit art. 7:610b BW. Dit vermoeden houdt in dat de arbeidsomvang in een periode gelijk wordt geacht aan de gemiddelde omvang in een representatieve referteperiode, die niet strikt de drie voorafgaande maanden hoeft te zijn. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling, waarbij het rechtsvermoeden correct moet worden toegepast.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof onterecht heeft nagelaten wettelijke rente toe te kennen over het achterstallige loon. De overige klachten zijn niet behandeld omdat ze zijn ingetrokken of niet relevant zijn. De Hoge Raad veroordeelt Meram Burger tot betaling van de proceskosten in cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling met toepassing van het rechtsvermoeden arbeidsomvang uit art. 7:610b BW.