ECLI:NL:HR:2026:991
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens gebrek aan bevoegdheid
In deze zaak heeft A.P. Flinterman namens [X] beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Na het overlijden van [X] op 21 augustus 2023 werd de indiener van het cassatieberoep door de griffier van de Hoge Raad verzocht om binnen zes weken een bewijsstuk te overleggen waaruit bleek dat hij gemachtigd was om namens [X] het beroep in cassatie voort te zetten. Dit kon een volmacht van alle erfgenamen zijn of een verklaring van een executeur-testamentair.
Ondanks herhaalde verzoeken, waaronder een tweede gelegenheid op 19 augustus 2025, heeft de indiener geen dergelijke machtiging of verklaring overgelegd. Hierdoor concludeerde de Hoge Raad dat de indiener niet bevoegd was om het beroep in cassatie namens [X] voort te zetten.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest werd uitgesproken op 19 juni 2026 door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging na het overlijden van de oorspronkelijke partij.