ECLI:NL:HR:2026:991

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
23/02523
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens gebrek aan bevoegdheid

In deze zaak heeft A.P. Flinterman namens [X] beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Na het overlijden van [X] op 21 augustus 2023 werd de indiener van het cassatieberoep door de griffier van de Hoge Raad verzocht om binnen zes weken een bewijsstuk te overleggen waaruit bleek dat hij gemachtigd was om namens [X] het beroep in cassatie voort te zetten. Dit kon een volmacht van alle erfgenamen zijn of een verklaring van een executeur-testamentair.

Ondanks herhaalde verzoeken, waaronder een tweede gelegenheid op 19 augustus 2025, heeft de indiener geen dergelijke machtiging of verklaring overgelegd. Hierdoor concludeerde de Hoge Raad dat de indiener niet bevoegd was om het beroep in cassatie namens [X] voort te zetten.

De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest werd uitgesproken op 19 juni 2026 door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging na het overlijden van de oorspronkelijke partij.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/02523
Datum19 juni 2026
ARREST
op het door A.P. Flinterman ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 mei 2023, nrs. BK-ARN 21/00792 tot en met 21/00795 [1] .

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

1.1
Volgens het op 27 juni 2023 ontvangen beroepschrift in cassatie is het beroep in cassatie ingesteld namens [X] . [X] is op 21 augustus 2023 overleden.
1.2
De griffier van de Hoge Raad heeft op 30 november 2023 in het voor dit ingestelde cassatieberoep aangemaakte digitale dossier een bericht geplaatst waarbij de indiener van het beroepschrift is verzocht binnen zes weken een bewijsstuk te verstrekken waaruit blijkt dat [X] hem had gemachtigd om namens haar beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Hof in te stellen, dan wel een door alle erfgenamen getekende en aan hem verstrekte volmacht over te leggen, of – in het geval een executeur-testamentair is aangesteld – een verklaring van de executeur-testamentair waaruit blijkt wat de wens is van alle erfgenamen met betrekking tot de onderhavige procedure.
1.3
De indiener van het beroepschrift heeft de gevraagde machtiging of de hiervoor in 1.2 bedoelde verklaring, niet overgelegd, ook niet nadat de griffier van de Hoge Raad hem daartoe op 19 augustus 2025 opnieuw in de gelegenheid had gesteld. Daarom gaat de Hoge Raad ervan uit dat de indiener van het beroepschrift niet bevoegd was om namens [X] beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Hof in te stellen. De Hoge Raad zal het beroep in cassatie op die grond niet-ontvankelijk verklaren.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en A.J. van Doesum, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.