ECLI:NL:KTGUTR:2000:AA9007
Kantongerecht Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontbinding arbeidsovereenkomst en loonvordering wegens onduidelijkheid over ontslagverklaring
Tussen partijen bestond sinds 1 november 1991 een arbeidsovereenkomst waarbij eiser vanaf 1996 negen uur per week werkte tegen een bruto maandsalaris van ¦ 814,04. Op 30 oktober 1999 werd eiser een ontslagbrief voorgelegd die hij ondertekende, maar hij begreep niet volledig de gevolgen daarvan vanwege taalbarrières en druk. Eiser werkte voor het laatst op 1 november 1999 en protesteerde op 26 november 1999 tegen het ontslag.
De kantonrechter stelde vast dat een werknemer alleen gebonden is aan een beëindigingsovereenkomst indien hij zijn wil duidelijk en ondubbelzinnig heeft verklaard en zich de gevolgen realiseerde. Dit was niet het geval; eiser was niet bewust van de consequenties en tekende onder druk. Gedaagde had niet aangetoond dat eiser op de hoogte was van het ontbreken van recht op een uitkering.
De arbeidsovereenkomst werd daarom niet beëindigd met de brief van 30 oktober 1999, maar pas door een rechterlijke ontbinding per 22 juni 2000. Eiser kreeg recht op betaling van het loon over de periode 1 november 1999 tot 22 juni 2000, inclusief wettelijke verhoging en rente, alsmede correctie van te weinig betaald loon over oktober 1999, vakantiegeld en niet genoten vakantiedagen.
Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van deze bedragen en de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst is niet met wederzijds goedvinden beëindigd; werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, vakantiegeld en vakantiedagen.