Klager, werkzaam bij de Inspectie der invoerrechten en accijnzen, werd in 2014 geschorst en kreeg een disciplinaire straf opgelegd. In 2018 werd een positief dienstadvies uitgebracht voor bevordering naar hoofdkommies 1ste klasse A. Verweerder wees het bevorderingsvoorstel in januari 2019 af vanwege onvoldoende dienstanciënniteit en een vermeend gebrek aan gunstige beoordeling, mede door de langdurige afwezigheid van klager.
Klager maakte bezwaar en stelde dat hij wel aan de vereisten voldeed en dat de afwezigheid grotendeels aan verweerder te wijten was. Het gerecht oordeelde dat klager ontvankelijk was in zijn bezwaar en dat zijn functioneren in de relevante periode positief was beoordeeld. Verweerder had de periodieke verhogingen tijdens de schorsing niet opgeschort, waardoor klager aan de dienstanciënniteitseis voldeed.
Het gerecht stelde vast dat de bestreden beschikking een motiveringsgebrek vertoonde en dat de beleidslijn om het bevorderingsmoment te vertragen niet op klager van toepassing was, omdat zijn functioneren wel beoordeeld kon worden. Daarom werd het bezwaar gegrond verklaard, de beschikking vernietigd en verweerder opgedragen binnen drie maanden een nieuwe beslissing te nemen.