Verzoeker, een ambtenaar werkzaam als project/programmamanager bij Zorg en Jeugd Caribisch Nederland, kondigde per e-mail aan zijn werkzaamheden per 1 juni 2025 te beëindigen. Diverse e-mails en gesprekken bevestigden dat hij zijn laatste werkdag op 10 april 2025 had en dat hij zijn werkzaamheden overdroeg aan collega’s. De minister verleende op 22 april 2025 op verzoek van verzoeker eervol ontslag met ingang van 1 juni 2025. Verzoeker maakte bezwaar tegen het ontslagbesluit en verzocht om een beslissing bij voorraad tot schorsing van het ontslag of doorbetaling van salaris.
Het Gerecht oordeelde dat het bezwaar tijdig en ontvankelijk was, ondanks dat verzoeker formeel geen schriftelijk ontslagverzoek had ingediend. Uit de gedragingen en uitlatingen van verzoeker bleek een ondubbelzinnige en onmiskenbare wilsuiting om ontslag te nemen. De minister mocht op basis hiervan het ontslagbesluit nemen. Het verzoek om schorsing werd daarom afgewezen.
Het Gerecht benadrukte dat de uitspraak een voorlopig karakter heeft en niet bindend is in de bodemprocedure. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze beslissing staat geen hoger beroep open.