Uitspraak
Bedrijf 1.,
Bedrijf 2,
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Eiseres vorderde betaling van achterstallige huurpenningen van gedaagde op grond van een huurovereenkomst uit 2002. Volgens eiseres had gedaagde het pand gehuurd en de huur niet betaald. Gedaagde stelde dat de overeenkomst fictief was, bedoeld om financiering te verkrijgen, en dat er nooit een daadwerkelijke huuroverhouding bestond.
De rechter oordeelde dat ondanks de ondertekening van de huurovereenkomst, eiseres onvoldoende feiten en omstandigheden had aangevoerd om het bestaan van een reële huurovereenkomst aan te tonen. De feitelijke eigenaar was een derde, die tevens directrice van gedaagde was, en de huurrelatie werd niet aannemelijk gemaakt. Ook de inconsistenties in de huurbetalingen en het late tijdstip van de vordering spraken tegen eiseres.
De vordering werd daarom afgewezen en eiseres werd veroordeeld in de proceskosten van gedaagde. Het vonnis werd uitgesproken op 9 september 2015 door rechter M. Schoemaker.
Uitkomst: De vordering tot betaling van huurpenningen wordt afgewezen wegens het ontbreken van een reële huurovereenkomst.