ECLI:NL:OGEAA:2016:786
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs medeplegen invoer en aanwezigheid cocaïne op boot
Op 3 november 2016 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van invoer, vervoer en bezit van cocaïne en heroïne op een boot.
Tijdens de terechtzitting op 13 oktober 2016 heeft de officier van justitie een gevangenisstraf van drie jaar geëist. De verdediging voerde aan dat verdachte slechts aanwezig was op de boot en betrokken was bij het overpompen van benzine, zonder kennis van de drugs. Het gerecht oordeelde dat uit het bewijs niet voldoende kon worden afgeleid dat verdachte nauwe en bewuste samenwerking had met medeverdachten bij het delict.
De bewijsvoering toonde slechts aan dat verdachte op het moment van het aan boord brengen van de cocaïnepakketten aanwezig was en dat hij handelde op verzoek van de kapitein om te helpen met het brengen en halen van mensen en het tanken van benzine. Er was geen overtuigend bewijs dat verdachte de drugs had opgeborgen of vooraf op de hoogte was van de drugs. Daarom sprak het gerecht verdachte vrij van de tenlasteleggingen primair en subsidiair.
De uitspraak benadrukt de noodzaak van nauwkeurige motivering bij medeplegen en het onderscheid met medeplichtigheid. Het vonnis werd gewezen door rechter M. Schoemaker en uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Uitkomst: Verdachte werd vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor medeplegen en ongeoorloofde aanwezigheid van drugs op de boot.