De verzoeker trad op 1 oktober 2010 in dienst bij het Land Aruba als bewakingsmedewerker bij de Cuerpo Especial Arubano (CEA). Na het aftreden van het Kabinet Eman II per 31 oktober 2017 stelde verzoeker dat zijn arbeidsovereenkomst niet van rechtswege was geëindigd en dat het ontslag kennelijk onredelijk was. Het Land Aruba beriep zich op het einde van de arbeidsovereenkomst per 31 oktober 2017, waarbij de ministerraadbeslissing van 27 oktober 2017 om verzoeker opnieuw in dienst te nemen niet werd uitgevoerd.
Tijdens de procedure stelde verzoeker dat hij tot 27 oktober 2017 werkzaam was en dat hij recht had op voortzetting van de arbeidsovereenkomst, met terugwerkende loonbetaling en een schadevergoeding. Het Land voerde aan dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig was geëindigd en dat er geen nieuwe arbeidsovereenkomst was gesloten. Het gerecht oordeelde dat de arbeidsovereenkomst niet was voortgezet na 31 oktober 2017, dat verzoeker niet meer werkte en dat de ministerraadbeslissing van 27 oktober 2017 nietig was wegens strijd met de openbare orde en het beginsel van behoorlijk bestuur, mede vanwege het zogenaamde afscheidsbeleid.
Het gerecht concludeerde dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was en wees de vordering af. Verzoeker werd veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van het Land nihil werden begroot.